Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Immers, zij houdt geen rekening met de bijzonderheden van den in de middenstof opgewekten bewegingstoestand. Het is niet waar, dat alleen de stof die in het volume S r aanwezig is, in beweging wordt gebracht; ook niet dat de in beweging gebrachte vloeistof- of gasdeelen juist de snelheid v krijgen. Intusschcn is het gebleken dat de uitkomsten der waarnemingen vrij wel kunnen worden weergegeven door de empirische formule

ir - k S p ?>2, (17)

waarin k een factor is, die experimenteel bepaald moet worden. Deze factor is van de grootte en gedaante van het platte vlak afhankelijk.

Wegens de gelijkheid van werking en terugwerking is de kracht ic ook de weerstand dien het platte vlak van de middenstof ondervindt.

iïij platte vlakken, kleiner dan 1 d.M2, is k ongeveer 0,6.

Ook voor een lichaam van willekeurige gedaante kan de formule worden toegepast; men moet dan onder S de grootte verstaan der projectie van het lichaam op een vlak loodrecht op de bewegingsrichting, en onder k een coëfficiënt die van de gedaante van het lichaam afhangt Er is b.v. minder kracht noodig om een bol met zekere snelheid door een gas of een vloeistof heen te drijven dan om ditzelfde met een cirkelvormige schijf te doen, die denzelfden straal heeft als de bol en loodrecht op de bewegingsrichting wordt gehouden.

Voor een lichaam dat aan de voorzijde van een spitse kant of een scherpe punt is voorzien, wordt de coëfficiënt k veel kleiner dan voor een plat vlak. Daarentegen wordt hij grooter dan voor een plat vlak bij een lichaam dat den vorm van een bolvormig segment of schotel heeft en met de holle zijde vooruitgaat. Proeven hebben b.v. geleerd dat voor een valscherm dat de gedaante van een parapluie heeft, de coëfficiënt bijna i maal zoo groot is als voor een plat vlak; wordt het valscherm omgekeerd, dan wordt de coëfficiënt ongeveer het J van wat hij voor een plat vlak is. Jiij een kanonskogel die zich met een snelheid van honderden meters in de seconde beweegt, bleek k ongeveer 0,4 te zijn.

Daar de krachten tussehen een lichaam en dc omringende middenstof alleen van de relatieve snelheid kunnen afhangen, stelt de formule (17) ook de kracht voor, die een stilstaand lichaam ondervindt van een lucht- of vloeistofstroom met de snelheid v. Met behulp van zulk een formule kan men b.v. de uitwerking van den wind op de wieken van een molen of die van een waterstroom op de schoepen van een waterrad berekenen.

§ 97. Andere voorbeelden van een beweging die door een weerstand gelijkmatig wordt. Bij een wagen die over een horizontalen weg wordt voortgetrokken en bij een vaartuig dat met een lijn wordt bewogen, kunnen wij dergelijke opmerkingen maken als bij den val in de lucht. De weg, het water en de lucht oefenen een weerstand uit, die met de snelheid toeneemt en, zoodra hij gelijk is geworden aan de

Sluiten