Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grooten of kleinen afstand uit zijn evenwichtsstand verplaatst is. Wanneer wij het b.v. eerst in A en bij een tweede proef in A' loslaten, besteedt het telkens even veel tijd om in O te komen; daar de kracht evenredig met den afstand tot O is, wordt het nl. bij de eerste proef door een grootere kracht naar O gedreven dan bij de tweede; het krijgt dus ook bij de eerste proef grootere snelheden, en wel juist in die inate, dat het bij beide proeven O in denzelfden tijd bereikt.

Men drukt dit uit door te zeggen, dat groote en kleine trillingen van het punt isochroon zijn.

Kent men de massa van het lichaam en de standvastige verhouding tusschen de kracht die het ondervindt en den afstand tot O, dan is de duur der trillingen bepaald. Aanstonds ziet men in dat, na een vergrooting der naar U werkende krachten, bij gelijk blijvende massa, de trillingen elkaar sneller zullen opvolgen, terwijl vergrooting van de massa een tegengestelde uitwerking heeft.

Zij at de bedoelde standvastige verhouding, zoodat de kracht door cc s kan worden voorgesteld, dan zal de trillingstijd T zoo worden dat (§ 101)

4 x2 m

rjp2~~ * = a '*

is. Daaruit volgt

(!0)

Dit de omstandigheid dat in deze formule de amplitudo niet voorkomt volgt de wet van het isoehronisme.

Fig. 82. § Toepassingen der stelling

van net paraueiogram van krachten.

a. Lichaam dat aan twee koorden is opgehangen. Een lichaam (Fig. 82) is opgehangen aan het punt C, dat door twee koorden C A en C B met de vaste punten A en B is verbonden. Op C werken drie krachten, nl. het gewicht van het lichaam, dat wij door C P voorstellen, en de spanningen der koorden A C en B C. Zal er evenwicht zijn, dan ?en resultante hebben, gelijk en tegen-

Sluiten