Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de deeltjes van verschillende hemellichamen. Dit wordt bevestigd door de volgende overwegingen.

a. Wordt werkelijk een voorwerp aan het oppervlak deiaarde door alle deelen der aarde aangetrokken, zoowel door het deel onmiddellijk er beneden, als door de stof nabij het middelpunt of aan de tegenovergestelde zijde onzer planeet, dan kan men de tallooze krachten die het ondervindt tot een enkele vereenigen. Onderstelt men nu dat de aarde een bol is en dat hare dichtheid niet op onregelmatige wijze van punt tot punt verandert, maar (behoudens kleine afwijkingen) op alle plaatsen die even ver van het middelpunt liggen, even groot is, dan leert een wiskundige beschouwing dat die resultante naar het middelpunt gericht is en dezelfde grootte heeft alsof de geheele aantrekkende massa in dat punt was vereenigd. De resultante is, evenals alle krachten, waaruit zij is samengesteld, evenredig met de massa van het aangetrokken voorwerp; daarom vallen alle lichamen even snel.

b. Verder moeten — als werkelijk de zwaartekracht een uiting van de algemeene aantrekkingskracht is — de kracht die op een deeltje nabij het aardoppervlak werkt, en de aantrekking die een even groot deeltje der maan van de aarde ondervindt, omgekeerd evenredig zijn met de vierkanten der afstanden waarop zij van het middelpunt der aarde verwijderd zijn; daar de afstand van de maan tot dit punt <>0 maal zoo groot is als de straal der aarde, moet dus de eerste kracht 3600 maal zoo groot zijn als de laatste. Nu kunnen wij de versnelling van een vallend lichaam op 980 c.M. per sec. stellen; en men kan ook (§ 105) de versnelling van de maan berekenen. In aanmerking nemende dat de omloopstijd der maan 27 dagen en 8 uren is, en den omtrek der aarde op 4 X 10° c.M. stellende, vindt men voor die laatste versnelling 0,27 c.M. en dit is inderdaad 3600 maal kleiner dan 980 c.M.

Wij kunnen nu ook inzien hoe het komt dat (§ 108) de waargenomen versnelling van een vallend lichaam, ook nadat zij van den invloed der aswenteling ontdaan is, op verschillende plaatsen niet dezelfde waarde heeft. Zooals men weet, is de aarde niet zuiver bolvormig, maar aan de polen afgeplat,

li

Sluiten