is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

ARBEID EN ARBEIDSVERMOGEN.

§ 113. Bepaling van don arbeid bij een verplaatsing in de richting der kracht. Door een kracht op een lichaam of een stelsel van lichamen uit te oefenen, kunnen wij den stand daarvan, de betrekkelijke ligging der deelen waaruit het is samengesteld, of ook den toestand van het stelsel op velerlei wijze veranderen. Wij kunnen een gewicht opheffen, een spiraalveer die met het eene eind bevestigd is, uitrekken, aan een slede een snelheid geven, een gas dat in een cilinder besloten is, verwarmen door een zuiger in dien cilinder naar binnen te drijven. Al deze gevallen hebben dit met elkaar gemeen dat, terwijl wij een kracht uitoefenen, het aangrijpingspunt daarvan zich over een zekeren afstand verplaatst. Daarentegen wordt er, als dit punt in rust blijft, geen verandering teweeg gebracht ; zoo b.v., wanneer wij een gewicht stil in de hand houden of aan een koord trekken, waarvan het uiteinde aan een vasten haak is bevestigd. Zoodra dit laatste de uitrekking heeft gekregen, die aan de grootte deikracht beantwoordt, en die ontstaat terwijl het punt dat wij vasthouden zich verplaatst, kan de kracht zoo lang wij willen blijven werken, zonder dat dit — als zij voortdurend even groot blijft — eenige verdere verandering ten gevolge heeft.

Zulke overwegingen hebben er toe geleid, om behalve op de grootte der kracht, ook in het bijzonder op de verplaatsing van haar aangrijpingspunt te letten; het een met het ander in verband brengende, is men ertoe gekomen, een grootheid