Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hitten. Men besluit daaruit dat, om 1 gram van de onderzochte stof 1 graad in temperatuur te doen stijgen,

«i. (t — L) . . ..

c — 7- calorieen

ini (t, — t)

noodig zijn. Dit getal c wordt de soortelijke warmte van het onderzochte lichaam genoemd.

Men kan ook zeggen dat de soortelijke warmte van een stof de verhouding is tusschen de hoeveelheid warmte die men noodig heeft om een zeker gewicht van die stof te verwarmen, en die, welke vereischt wordt om een gelijk gewicht xcater evenveel in temperatuur te doen stijgen.

De soortelijke warmte is voor alle onderzochte vaste en vloeibare lichamen kleiner dan de eenheid. Een hoeveelheid kwik b.v. vereischt voor een zekere temperatuurverhooging ongeveer 30 maal minder warmte dan een gelijk gewicht water.

In plaats van de uitdrukking „soortelijke warmte" bezigt men soms het woord warinte-capaciteit. Dit wordt ook gebruikt om de hoeveelheid warmte aan te duiden, die een voorwerp, al weegt het niet juist 1 gram, al bestaat het zelfs niet uit een homogene stof, moet opnemen om 1° in temperatuur te stijgen. Is het lichaam homogeen, weegt het m gram, en is de soortelijke warmte der stof waaruit het bestaat c, dan is de warmtecapaciteit m c. Bestaat het voorwerp uit gram van een stof die de soortelijke warmte Cj heeft, mt gram van een stof met de soortelijke warmte cs, enz., dan is de warmte-capaciteit

Cj | m2 Cj enz.

Deze uitdrukking stelt ook de hoeveelheid water voor, die voor een zelfde temperatuurverhooging evenveel warmte vereischt als het voorwerp, de hoeveelheid water dus, waarmee dit laatste in dit opzicht gelijk staat. Men noemt daarom de uitdrukking ook de waterwaarde van liet voorwerp.

Bij elke proef met een calorimeter verandert niet alleen de temperatuur van het water, maar in gelijke mate die van het vat waarin het zich bevindt, en dat in den regel uit dun messing- of platinablik bestaat; eveneens die van den thermometer

Sluiten