Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekozen gelijke tijdsdeelen over even groote hoeken draait. De hoeksnelheid wordt in dit geval gemeten door den in de tijdseenheid doorloopen hoek, en dus voorgesteld door het getal dat men krijgt, als men den in een willekeurigen tijd afgelegden hoek door dien tijd deelt. Bij een niet gelijkmatige wenteling wordt de hoeksnelheid gevonden, wanneer men den hoek waarover het lichaam in een oneindig kleinen tijd draait, door dezen tijd deelt (verg. § 61). Bij het aangeven der hoeksnelheid zullen wij den hoek in boogmaat (§ 19) uitdrukken. Dientengevolge is er een eenvoudig verband tusschen de hoeksnelheid en de snelheden in den gewonen zin van het woord (lineaire snelheden) der punten van het lichaam. Is nl. « de hoeksnelheid, dan wil dit zeggen, dat een punt op den afstand 1 van de as per tijdseenheid een cirkelboog u doorloopt; u is dus ook de lineaire snelheid van dit punt, en voor een punt op een afstand r van de as wordt de snelheid bepaald door de vergelijking

v = u r.

§ 150. Beweging van figuren in een plat vlak. Bij een

figuur van onveranderlijke gedaante en grootte, die zich in een plat vlak verplaatsen kan, zijn een verschuiving en een wenteling om een vast punt de meest eenvoudige bewegingen. Meer ingewikkelde bewegingen kunnen daartoe worden teruggebracht.

De figuur kan b.v. achtereenvolgens om verschillende punten draaien; men kan dit opmerken bij een veelhoek die over een vaste rechte lijn wordt voortgekanteld. Zelfs is het mogelijk dat telkens slechts gedurende een tijdselement de draaiing om een zelfde punt plaats heeft, dat dan aanstonds door een nieuw middelpunt van wenteling wordt vervangen.

Dit is het geval, wanneer een kromme lijn L, (Fig. 103) over een andere rechte

of kromme lijn La voortrolt. Het raakpunt A is daarbij het middelpunt van wenteling, maar zoodra een oneindig kleine

Sluiten