Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. In Fig. 124 stelt A B een staaf voor, die in horizontale richting met het eene uiteinde is vastgeklemd, terwijl het andere met een gewicht P is bezwaard. Y is een doorsnede, loodrecht op de lengte, en wij zoeken de evenwichtsvoorwaarde voor het deel der staaf, rechts van die doorsnede. Daar de krachten die dit deel in verticale richting ondervindt, elkaar moeten opheffen, moet Fig. 124.

de stof links van V op de stof aan de rechterzijde een kracht Q, verticaal naar boven, uitoefenen, die, als wij van het gewicht der staaf

zelf afzien, gelijk aan P is. Natuurlijk oefent V B op Y A een gelijke en tegengesteld gerichte kracht uit; zoo wordt, kan men zeggen, de last P op het deel V A overgebracht.

Deze krachten, die men, daar zij langs het vlak Y werken, tangentiale spanningen noemt, zijn evenwel niet de eenige die tusschen de deelen der staaf bestaan. Want de kracht Q vormt met P een koppel, en voor het evenwicht is het noodig, dat dit door een ander koppel van gelijk moment wordt opgeheven. Dit kan alleen voortvloeien uit krachten die, behalve de door Q voorgestelde, door V A op V B worden uitgeoefend, krachten, zooals zij b.v. door R en S worden aangegeven. Wil men inzien hoe dergelijke spanningen ontstaan., dan moet men bedenken dat uitwendige krachten altijd eenige vormverandering, al is die nog zoo klein, aan een vast lichaam geven; de inwendige krachten, die men met den naam veerkracht bestempelen kan, worden eerst door die vormverandering opgewekt. In het geval van Fig. 123 ontstaan de inwendige krachten ten gevolge van een samendrukking. Bij Fig. 124 echter moet men zich voorstellen dat het gewicht P niet alleen het deel V B der staaf iets langs V A naar beneden trekt, waardoor de kracht Q wordt opgewekt, maar bovendien dat deel een weinig om het punt O doet draaien. Daarbij tracht het V B aan de bovenzijde van V A te verwijderen, maar drukt aan de benedenzijde de twee deelen tegen elkaar.

Sluiten