Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een buitenwaartsche beweging van A en C, mogelijk zou zijn. Beschouwt men den driehoek in zijn geheel, dan vindt men onmiddellijk de verlicale drukkingen op de steunvlakken, door P, naar den regel van § 160, te ontbinden in twee evenwijdige krachten in A en C. De inwendige krachten echter vindt men als volgt. Men ontbindt P in B Q en B R volgens B A en B 0, brengt de componenten naar A en C over en ontbindt ze daar in de horizontale en verticale componenten AS en AT, CU en C V. Natuurlijk wordt daarbij A S = C U. Door deze krachten wordt A C uitgerekt, terwijl de stangen A B en B C door de krachten B Q en BB worden samengedrukt.

Hoe, bij het aanbrengen van den last, de spanning in A C ontstaat door een kleine uitrekking van deze staaf, zal na het gezegde duidelijk zijn.

§ 169. Uitbreiding van eeiiige der voorgaande stellingen tot lichamen van veranderlijken vorm. Als een lichaam waarvan de gedaante kan worden gewijzigd, onder de werking van een stelsel krachten in evenwicht is, kan men bij een willekeurig deel ervan de bestanddeelen vast aan elkander verbinden, zonder het evenwicht te verstoren. Be krachten die op dit deel werken, moeten dus steeds voldoen aan de voorwaarden die wij voor vaste lichamen van onveranderlijken vorm hebben leeren kennen.

Een koord b.v., dat met zijne uiteinden in A en B is bevestigd, neemt onder den invloed der zwaartekracht een ge¬

daante aan als de in Fig. 127 aangegevene. Een deel C D kan nu door een onbuigzame staaf van dezelfde gedaante en hetzelfde gewicht vervangen worden, zonder dat het evenwicht verbroken wordt. Op dit deel werken vooreerst de zwaartekracht, die geacht kan worden in het zwaar¬

tepunt Z aan te grijpen, en ten

tweede de spanningen van de koorden A C en B D. Voor het evenwicht is het noodig, dat de raaklijnen in C en D elkaar

17

Fig. 127.

Sluiten