Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door n a, n b, z c en z d zijn voorgesteld. Worden de resultanten n e en z f naar o overgebracht, dan ontstaan twee koppels,

Fig. 175.

die evenwicht moeten maken met het koppel van het aardmagnetisme.

Bijzonder eenvoudig wordt de zaak, wanneer n z zeer klein is in vergelijking met de afstanden tot de polen van N Z. Dan kan men en 2 c, en eveneens n b en z d als gelijk en evenwijdig beschouwen;

ook zonder dat men de krachten naar 0 overbrengt heeft men dan een koppel.

Men kan bij een geringe lengte van n z de zaak ook als volgt opvatten. De magneet N Z (Fig. 176) brengt in een willekeurig punt 0 een zekere magnetische kracht (§ 102) op

te weeg, de aarde een magnetische kracht 0 q. De resultante 0 r bepaalt de richting der krachtlijn in 0 en in deze richting zal zich een zeer kleine magneetnaald plaatsen (§ 192).

Daarbij valt nu nog het volgende op te merken.

a. Bevindt zich het punt 0 op de lijn die N Z loodrecht midden door

deelt (Fig. 177), dan is de magnetische kracht op, die N en Z te zamen uitoefenen, evenwijdig aan N Z.

b. Staat de kracht op (Fig. 176) loodrecht op den magnetischen meridiaan, dus ook op oq, dan wordt de afwijkingshoek «, die een in 0 geplaatste kleine magneetnaald door N Z verkrijgt, bepaald door

op tg « = —.

oq

Fig. 177.

Fie. 176.

De tangens van den afwijkingshoek is dus in dit geval evenredig met de werking van N Z.

20

Sluiten