Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE HOOFDSTUK.

EVENWICHT EN BEWEGING VAN VLOEISTOFFEN EN GASSEN.

§ 200. Druk vau een vloeistof of een gas. Zoowel de toestandsveranderingen die door uitwendige oorzaken worden teweeggebracht, als de daardoor opgewekte inwendige krachten zijn, in vergelijking met de vaste lichamen, bij vloeistoften en gassen van bijzonder eenvoudigen aard.

Bij een eerste beschouwing dezer lichamen komen alleen veranderingen van het volume ter sprake, waarbij steeds de onderlinge rangschikking der deeltjes in alle richtingen dezelfde is, en bestaan de inwendige krachten in een „druk", xcaarvoor eenvoudige wetten gelden.

Bevindt een vloeistof zich in een cilinder die door een bewegelijken zuiger is afgesloten, of in een ruimte waarvan zulk een cilinder deel uitmaakt, dan kan men, door den zuiger naar binnen te drukken, het volume verkleinen. De vloeistof tracht zich dan aanstonds weer uit te zetten (veerkracht) en oefent daardoor tegen de wanden van het vat een druk uit; eveneens zullen naast elkaar liggende deelen van de stof tegen elkaar drukken.

Hetzelfde is bij een gas het geval, maar er bestaat tusschen de beide aggregatietoestanden een groot verschil wat den graad van toenadering betreft, die door bepaalde uitwendige krachten aan de deeltjes gegeven wordt. Bij de vloeistoffen waarmede men gewoonlijk te doen heeft, is de volumevermindering zoo gering, dat zij zelfs langen tijd aan de waar-

Sluiten