Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dalen of stijgen. Duiden wij iedere daling door h en iedere stijging door li aan, en stellen wij het gewicht van een vloeistofkolom die de vlakteeenheid tot doorsnede heeft voor, door hare lengte tusschen haakjes te schrijven, dan neemt bij elke daling de druk toe met [A], maar vermindert hij bij elke stijging met [li], Derhalve wordt, als P de dampkringsdruk is, de druk in b:

p = P -f 2 [h] — 2 [li],

waarbij de somteekens geen toelichting zullen behoeven.

Is nu b c de lijn die in verticale richting van b naar den vloestofspiegel S of het verlengde daarvan wordt getrokken, dan is klaarblijkelijk

p = P + [cH wanneer (Fig. 184) b beneden, en

p = P — [c 6],

wanneer (Fig. 185) b boven den vloeistofspiegel ligt.

Opmerking verdient hierbij vooral, dat het teeken [cb] het gewicht voorstelt, dat een vloeistofzuil zou hebben, wanneer Fig. 185. zij de lengte cb had. Het is voor de

geldigheid der medegedeelde rormuies mei noodig dat werkelijk de lijn cb binnen de vloeistof valt.

Overigens zal het nu duidelijk zijn dat in twee willekeurige, even hoog gelegen punten, waartusschen een in de vloeistof liggende lijn kan worden getrokken, de druk altijd even groot is, dat overal in

het verlengde van den spiegel de druk — P moet zijn en dat, als het vrije oppervlak der vloeistof uit twee van elkaar gescheiden deelen bestaat, die aan een even grooten uitwendigen druk zijn blootgesteld, die deelen in elkanders verlengde moeten liggen (wet der communiceerende vaten).

§ 205. Toepassingen, a. Wanneer icij van de dampkringsdrukking afzien, is de druk op den horizontalen bodem van een open vat altijd gelijk aan het gewicht van een vloeistofzuil die van den bodem verticaal tot aan het vlak van den vloeistofspiegel zou oprijzen. Men zal gemakkelijk vormen van

C I)

Sluiten