Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vat naar binnen stroomt, is eveneens mogelijk, zoodra men aan het water maar een naar binnen gerichte snelheid van voldoende grootte geeft. Heeft b.v. de in het begin dezer § beschouwde beweging in omgekeerde richting plaats, dan wordt bij het naar binnen stroomen van een hoeveelheid vloeistof van het gewicht P een hoeveelheid arbeidsvermogen van plaats P h ge-

Pp2

wonnen, terwijl er een hoeveelheid arbeidsvermogen van beweging —— ver-

*9

loren gaat, waaruit weer volgt v = Vig h. De vloeistof heeft dus voor het

naar binnen stroomen een even groote snelheid noodig als zij bij het uitstroomen zou krijgen.

§ 210. Hoeveelheid vloeistof die per tijdseenheid uitstroomt. Wanneer een vloeistof (of een gas) zich loodrecht op een begrensd plat vlak S daardoor heen beweegt, en wel overal met dezelfde snelheid v, zal gedurende een tijdsverloop r een vloeistofcilinder met de hoogte v r door het vlak zijn voortgeschoven. Het volume daarvan is »St; per tijdseenheid is dus het volume dat door het vlak stroomt v S. j

Men kan dit echter niet op de opening ab van Fig. 197 toepassen, daar, zooals de figuur doet zien, de deeltjes aan den omtrek zich niet in verticale richting bewegen. Be vloeistofstraal trekt zich dientengevolge samen en eerst op eenigen afstand beneden ab, b.v. bij cd, wordt hij ten naaste bij cilindervormig. Daar de snelheden dan alle verticaal zijn geworden en nog slechts weinig grooter dan de in § 209 berekende snelheid v, krijgt men de uitstroomende hoeveelheid door v met de doorsnede van den straal bij cd te vermenigvuldigen.

De waarneming heeft geleerd dat, wanneer O het oppervlak der opening ab zelf voorstelt, de bedoelde hoeveelheid nagenoeg 0,6 vO is.

§ 211. Drukverschillen bij de beweging eener vloeistof door een buis niet verwijdingen of vernauwingen. De wetten volgens welke de beweging eener vloeistof in buizen plaats heeft, zijn niet dezelfde bij verschillende middellijnen dezer laatste; van de doorsnede hangt namelijk de invloed af, dien de wrijving op de verschijnselen heeft. Wij zullen voorloopig onderstellen dat men de buizen wijd genoeg neemt om van de wrijving geheel te kunnen afzien. Dan behoeft men niet te letten op den vertragenden invloed van den wand

Sluiten