is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of

(2)

r

De grootheid r is des te grooter, naarmate de buis de vloeistof moeilijker doorlaat, en kan derhalve als maat dienen voor den weerstand dien de vloeistof in de buis ondervindt, of zelf de weerstand, genoemd worden.

Wil men de weerstanden van twee buizen met elkaar vergelijken, dan kan men ze zoo verbinden, dat een vloeistofstroom achtereenvolgens door beide moet gaan, en vervolgens den druk meten aan het begin der eerste buis, de verbindingsplaats en het einde der tweede, iets, dat men kan doen door in deze punten verticaal naar boven reikende buizen te plaatsen, en waar te nemen, hoe hoog de vloeistof daarin opstijgt. Zijn, nadat de stroom stationair is geworden, de drie drukkingen px, pt en p3, dan zijn Pi—Pa en pt—p3 de drukverschillen die in de twee buizen voor een zelfden stroom vereischt worden; met die grootheden zijn dus de weerstanden evenredig.

Is de buis van Fig. 203 overal van dezelfde doorsnede, dan zal de druk in het midden juist het gemiddelde van dien aan de uiteinden zijn," zoodat in een buis cd de vloeistof een punt bereikt, dat halverwege tusschen de vlakken S, en S, ligt. Daar nl. de twee helften der buis gelijke weerstanden hebben, moet de druk evenveel dalen van a tot c als van c tot b.

Tevens blijkt nu echter dat de weerstand der geheele buis a b het dubbel is van dien der halve buis a c, want dezelfde vloeistofstroom vereischt bij deze laatste een half zoo groot drukverschil als bij de eerste. In het algemeen is de weer- ' stand eener buis evenredig met de lengte; omgekeerd evenredig daarmede is dus de hoeveelheid vloeistof die bij een zelfde drukverschil door een buis stroomt.

Het zal na het bovenstaande duidelijk zijn, dat in Fig. 203 de druk geleidelijk van a naar b daalt, zoodat hij, wanneer men over gelijke afstanden voortgaat, telkens evenveel afneemt, en dat in het algemeen dit laatste het geval is, wanneer de