Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fis. 205.

Volgens de wet van Boyle (1661) is nu, zoolang de tempe- • ratuur onveranderd blijft, het volume van een gas omgekeerd evenredig met den druk dien het ondervindt, of, wat op hetzelfde neerkomt, de spanning evenredig met de dichtheid.

Geen gas volgt de wet volkomen; er bestaan afwijkingen, die des te aanmerkelijker zijn, naarmate men bij lioogere drukkingen experimenteert. Bij gassen als lucht en waterstof mag men bij drukkingen, die niet vele malen grooter zijn dan die van de dampkringslucht, van de afwijkingen afzien; wij zullen dat in dit hoofdstuk steeds doen.

§ 216. Luchtpomp. Als toepassing van de wet van Boyle kan men de drukvermindering berekenen, die door de gewone, in Fig. 205 schematisch voorgestelde luchtpomp wordt verkregen. Het reservoir R, waaruit de lucht moet worden ver¬

wijderd, staat door de buis B in gemeenschap met den cilinder C, waarin de luchtdicht sluitende zuiger Z wordt op- en neerbewogen; bij a en J vindt men kleppen, die zich naar boven openen. Gaat de zuiger omhoog, dan is de klep b gesloten, zoowel door zijn gewicht en door een veer, als door den druk der buitenlucht; daarentegen wordt

door een geschikt mechanisme a geopend. Een zekere hoe veelheid lucht stroomt dan uit R naar C. Zoodra de zuiger naar beneden gaat, wordt a gesloten, en nu heeft weldra de lucht beneden den zuiger voldoende spanning om b te openen en naar buiten te ontsnappen.

Het benedenvlak van den zuiger moet zich zoo goed mogelijk aansluiten aan den bodem van den cilinder, in de kleine „schadelijke ruimte", die beneden den zuiger in zijn laagsten stand 'overblijft, bevindt zich nl. lucht van 1 atmospheer spanning en men ziet gemakkelijk dat hierdoor een grens gesteld wordt aan de verdunning in R.

Een dergelijke schadelijke ruimte komt niet voor bij de kwikluchtpomp, waarmede men dan ook veel hoogere verdun-

Sluiten