Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schillig of het gas een kleine of een groote ruimte inneemt. Maar het gas verricht nu, terwijl het den zuiger voortdrijft, een arbeid, en om deze reden moet meer warmte worden toegevoerd dan bij de eerste proef.

Het aantal calorieën dat nu noodig is, heet de soortelijke warmte bij constanten druk en zal door cp worden aangeduid.

Men kan de proeven ook omkeeren. Koelt het gas bij standvastig volume van 1° tot 0° af, dan staat het een hoeveelheid warmte cv af; maar het geeft meer warmte af, nl. een hoeveelheid cp, wanneer de druk constant blijft, en het zich dus samentrekt. De meerdere warmte is in dit laatste geval ontstaan door den arbeid dien de uitwendige krachten verrichten.

Om de soortelijke warmte van een gas te meten, laat men het eerst door een verwarmde spiraalvormig gewonden buis stroomen, en vervolgens door een dergelijke buis die zich in een calorimeter bevindt. De temperatuurverhooging van dezen laatsten, de temperaturen waarmede het gas den calorimeter bereikt en verlaat, de hoeveelheid gas en de waterwaarde van den calorimeter zijn de gegevens waaruit men de soortelijke warmte kan afleiden. Be uitkomst is de specifieke warmte bij constanten druk. Men zou dat onmiddellijk inzien als het gas op zijn weg door den calorimeter overal denzelfden druk uitoefende, maar men kan bewijzen dat het eveneens waar is, al is een merkbaar drukverschil noodig om het gas voort te drijven.

Te dien einde kan men beschouwingen als die van § 211 (p. 333) en een figuur als Kg. 198 gebruiken j alleen is het nu niet noodig dat de doorsneden n en b verschillende grootte hebben. Stel dat het deel der buis tusschen a' en b in den calorimeter geplaatst is, dat dus a en a' liggen in het warme, b en b' in het afgekoelde gas. Laat tt de temperatuur in de ruimte a a' cn l2 die in b b' zijn, p, de druk in a, pt die in 4, het volume tusschen a cn a', en dat tusschen b en b'. Daar het de bedoeling is, dat dezelfde gasmassa die eerst tusschen a en b ligt, zich naderhand tusschen a en L' bevindt, heeft men bij een stationaire beweging

P\vi = n *>-2

1 ot tt 1 -)- a t.2'

De arbeid van de uitwendige krachten op de massa tusschen a en b is

Pt »t — Pi »i (9;

24

Sluiten