Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EC, = «pr.^A

1 P—H

Uit deze vergelijking en (10) kunnen nu cv en E bepaald worden. Elimineert men de laatste grootheid, dan komt er:

C1 = P —Pi (13)

Cl pi — Pt

liet is dus de verhouding der beide soortelijke warmten, die door de nu beschouwde proef bepaald wordt.

§ 233. Uitstrooming Tan gassen. Onderstellen wij dat een gas zicli bevindt in een vat, aan de eene zijde afgesloten door een bewegelijken zuiger, waarop een standvastige uitwendige druk wordt uitgeoefend, en dat het dientengevolge, door een opening tegenover den zuiger, uitstroomt in een ruimte waarin een onveranderlijke lagere druk heerscht. De vraag, met welke snelheid het gas dan door de opening gaat, kan, evenals de overeenkomstige vraag voor een vloeistof (§ 209), beantwoord worden met behulp der wet van het arbeidsvermogen; men moet daarbij echter niet alleen letten op den positieven arbeid van den druk op den zuiger en den negatieven arbeid van den druk die zich tegen de uitstrooming verzet, maar ook op de inwendige energie en, zoo noodig, op de hoeveelheid warmte die van buiten aan het gas wordt toegevoerd. Is de wand waarin zich de opening bevindt, zeer dun en is dus het gas slechts over een klein oppervlak met een vast lichaam in aanraking, dan kan men van die warmte afzien, maar, daar het gas zich dan adiabatisch uitzet, daalt de temperatuur en neemt de inwendige energie af. De uitstroomingssnelheid is dus anders dan men zou vinden als men de kinetische energie die er aan beantwoordt uit den arbeid der drukkingen alleen berekende.

Wij kunnen hier het verschijnsel niet nader beschouwen. Alleen moge met verwijzing naar het in § 209 gezegde opgemerkt worden dat bij een zelfde drukverschil de snelheid des te grooter is, naarmate men met een lichter gas te doen heeft en dat zij aanmerkelijk grooter is dan de snelheid waarmede een vloeistof zou uitstroomea wanneer bij deze aan weerskanten der opening dezelfde drukkingen bestonden als in het gas.

Sluiten