Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opmerking omtrent de ongelijke mate waarin verschillende vormen van arbeidsvermogen voor ons toegankelijk zijn, brengt ons ertoe, het arbeidsvermogen dat in een stelsel van lichamen aanwezig is, en het arbeidsvermogen waarover wij onder deze of gene omstandigheden beschikken kunnen, van elkaar te onderscheiden.

Hoe het met het bedrag van dit laatste gesteld is, zullen wij vooreerst in een eenvoudig geval nagaan.

Verbeelden wij ons een gasmassa, die door een warmtereservoir op standvastige temperatuur wordt gehouden, zoodat alle veranderingen die zij ondergaan kan, isothermisch zijn; stellen wij ons bovendien voor dat die veranderingen bestaan in uiterst langzame en dus omkeerbare uitzettingen en samendrukkingen.

Daar bij uitzetting arbeid kan worden verricht, besluiten wij dat in het stelsel, bestaande uit het gas en het warmtereservoir, een zekere hoeveelheid arbeidsvermogen beschikbaar is. Ten einde een bepaald getal daarvoor te kunnen aangeven, • stellen wij vast tot hoever wij de uitzetting willen laten gaan (verg. § 126). Wij kiezen dus een of ander groot volume V uit en letten op den arbeid dien het gas bij uitzetting tot dat volume kan verrichten.

Terwijl wij nu de uitdrukking „beschikbare energie" vervangen door den onder de vastgestelde omstandigheden gebruikelijken term vrije energie kunnen wij zeggen:

Be vrije energie icordt gemeten door den arbeid dien het gas kan verrichten als het zich isothermisch en op omkeerbare wijze van het volume dat het in werkelijkheid inneemt, tot het vastgestelde groote volume V uitzet.

Uit deze definitie volgt aanstonds:

a. De vrije energie is des te grooter naarmate het gas in een kleiner volume is samengeperst.

b. Zet het gas zich werkelijk uit, maar niet tot het volume V, dan neemt de vrije energie af met een bedrag gelijk aan den verrichten arbeid. , (v

c. Omgekeerd kost samendrukking van het gas eenj arbeid, gelijk aan de toename der vrije energie.

Sluiten