Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan verrichten, zonder dat men behoeft aan te geven langs welken weg de overgang zal plaats hebben.

Beschouwen wij verder twee toestanden S en S', waaraan de waarden \p en <1>' der vrije energie beantwoorden. Willen wij weten welken arbeid het stelsel bij den overgang van S naar S' verricht, dan kunnen wij dien overgang langs een willekeurigen weg doen plaats hebben. Wij stellen ons voor dat het stelsel eerst in den nultoestand N en dan in den eindtoestand S' wordt gebracht. Bij den overgang van S naar N verricht het een arbeid ip, bij den overgang van N naar S' een arbeid — ; derhalve is bij eiken overgang van S naar S' de arbeid A = + — v(/'. Deze uitkomst gaat ook door wanneer > <P en A negatief is. Dau kunnen wij ook zeggen dat de door ons op het stelsel gedane arbeid —A gelijk is aan dc aangroeiing der vrije energie.

Daar wij van de kinetische energie die aan de beweging van een lichaam in zijn geheel of van de zichtbare deelen daarvan te danken is, ten volle partij kunnen trekken en eveneens van de potentieele energie die aan krachten, zooals de zwaartekracht beantwoordt, zullen wij deze beide vormen van arbeidsvermogen tot de vrije energie rekenen. De vrije energie bestaat dus in liet algemeen uit drie deelen, de twee laatstgenoemde en die welke het lichaam zou hebben, als het, zonder zichtbare beweging en vrij van de bovengenoemde krachten, in denzelfden toestand verkeerde, waarin het zich in werkelijkheid bevindt.

§ 247. Veranderingen der vrije energie bij omkeerbare en niet omkeerbare verschijnselen, a. Wij beschouwen als voorbeeld een vast veerkrachtig lichaam en wel, om de gedachten te bepalen, een staaf (Fig. 124, p. 255) die met het eene uiteinde is vastgeklemd. Van het gewicht zien wij af en wij onderstellen dat een warmtereservoir (de omringende lucht b.v.) voor het standvastig blijven der temperatuur zorgt. Wij denken ons de staaf eerst in den toestand dien hij aanneemt wanneer er geen uitwendige krachten op werken, en dien wij den natuurlijken toestand zullen noemen; vervolgens brengen wij door een kracht aan het vrije uiteinde, loodrecht op de lengte, een doorbuiging te weeg. Door niet plotseling een groote kracht uit te oefenen, maar met een zeer kleine te beginnen, die wij dan langzamerhand laten aangroeien, verzekeren wij ons ervan, dat de staaf op elk oogenblik in

Sluiten