Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oneindig kleine verschillen afdalen, en past men telkens op twee op elkaar volgende lijnen de zooeven verkregen uitkomst toe, dan komt men gemakkelijk tot de evenredigheid (3).

§ 250. Nuttig effect bij een niet omkeerbaren kringloop.

Wij beschouwen nu een kringloop met de warmtereservoirs Rj en lïs, die niet omkeerbaar is, bv. den kringloop die in de stoommachine van Fig. 212 plaats heeft. Wij nemen aan dat daarbij warmte voor mechanischen arbeid gebruikt wordt en stellen het

nuttig effect door mx voor; hierbij behoort het getal = -- 1.

Wij kunnen nu dezen kringloop op de in het begin der vorige § aangegeven wijze koppelen met een omkeerbaren kringloop, waarvan wij het nuttig effect m% zullen noemen, terwijl wij n3 = — 1

stellen. Door de in de vorige § gebezigde redeneering kunnen wij dan bewijzen dat nl niet kleiner dan n3, en dus mï niet grooter dan m., kan zijn. Een waarde van m1, kleiner dan tni, T T

kleiner dus dan 1 —is echter niet uitgesloten, en iuderM

daad blijkt het nuttig effect eener werkelijke (en dus niet geheel omkeerbare) calorische machine min of meer beneden deze breuk te liggen. Deze laatste is te beschouwen als een grens, die men nooit geheel kan bereiken.

Wellicht is het goed, er op te wijzen dat men, als men voor

T T

een stoommachine de breuk _—* wil berekenen, die het

•M

hoogste bereikbare nuttig effect voorstelt, onder Tj verstaan moet, niet de temperatuur van den vuurhaard, maar die van het water in den stoomketel. Deze temperatuur bepaalt de dampspanning en men zou den vuurhaard kunnen vervangen door een warmtereservoir van die temperatuur, als dit maar voldoende warmtecapaciteit had en het vermogen om snel genoeg warmte aan het water te geven.

Wat men te doen heeft om het nuttig effect zoo hoog mogelijk op te voeren, is na het voorgaande duidelijk. Vooreerst moet men het werktuig zooveel mogelijk tot de omkeerbaarheid doen naderen en in de ticeede plaats moet men trachten, Tl zoo hoog

Sluiten