Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de doorsnede omgekeerd evenredig, zooals men door een eenvoudige redeneering kan aantoonen. Verdeelt men nl. door een denkbeeldig plat vlak, loodrecht op de lengte, een staaf in twee gelijke deelen, dan is, wegens de spanning aan die doorsnede, elke helft aan even groote uitrekkende krachten onderworpen als de geheele staaf, maar van elke helft is de lengtevermeerdering half zoo groot als die van de geheele staaf.

Beschouwt men daarentegen de staaf als uit twee andere samengesteld, die elk een half zoo groote doorsnede hebben, dan kan men zeggen dat elk deel aan de helft der uitrekkende kracht is blootgesteld; de dilatatie zal dus half zoo groot zijn als wanneer een dier helften, op zich zelf genomen, door de volle kracht werd uitgerekt.

Wanneer P de uitrekkende kracht, l de oorspronkelijke lengte, s de doorsnede en u de lengtevermeerdering voorstelt, kunnen de medegedeelde wetten worden samengevat in de formule

u — C — (1)

s

waarin C voor elke zelfstandigheid een bepaalde waarde heeft. Is deze constante eenmaal bekend, dan kan men voor elke staaf, uit de beschouwde stof vervaardigd, de uitrekking door een gegeven kracht berekenen.

De omgekeerde waarde van C wordt de coëfficiënt van veerkracht of elasticiteitscoëfficient (ook wel elasticiteitsmodulus)

genoemd. Duidt men dezen coëfficiënt door E aan, dan wordt

®

waaruit volgt dat voor s = 1 en u — l, P = E zou moeten zijn. Van daar de definitie: de elasticiteitscoëfficient is het getal dat de kracht voorstelt, die een staaf van de eenheid van doorsnede tot de dubbele lengte zou uitrekken, als nl. ook bij zeer groote krachten tusschen deze en de uitrekking dezelfde verhouding bestond als bij kleine krachten.

Van deze bepaling uitgaande, kan men gemakkelijk weer tot de vergelijking (2) komen, en het is duidelijk dat men, zoodra u, P, l en s gemeten zijn, daaruit E kan afleiden.

Sluiten