Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het duidelijk dat de krachten F nog niet voldoende zijn, want zij zouden met F' een koppel vormen, zoodat het lichaam niet in evenwicht kon zijn; inderdaad, wanneer alleen deze krachten F bestonden, zou het prisma gebogen worden en zouden dus de zijvlakken rechts en links niet plat, en het bovenvlak niet evenwijdig aan het grondvlak blijven. Wil men een zuivere afschuiving te weeg brengen, dan moeten ook op AC' en B D' tangentiale spanningen worden aangebracht, die echter voor onze volgende beschouwingen van geen belang zijn.

Dat de deelen van het lichaam die aan weerszijden van een horizontale doorsnede liggen, tangentiale spanningen naar rechts en links op elkaar uitoefenen, is gemakkelijk in te zien.

Het bedrag van deze spanningen, of van de krachten F\ is bij een gegeven parallelepipedum evenredig met de verplaatsing C C' en kan met behulp van een coëfficiënt berekend worden, die als de maat te beschouwen is van den iceerstand waarmede de stof zich tegen een afschuiving verzet. Deze coëfficiënt kan trouwens in de grootheden E en van § § 254 en 255 worden uitgedrukt.

Op hel eerste gezicht kan het vreemd schijnen dat deze coëfficiënten, die op dilataties en contracties betrekking hebben, nu te pas komen. Men moet echter bedenken dat ook bij de afschuiving een lichaam in sommige richtingen wordt uitgerekt, en zich in andere samentrekt. In 1'ig. 22i wordt de lijn AD bij den overgang in AD' langer, en de lijn 15C bij den overgang in B C' korter.

§ 261. Wringing. Deze verandering (torsie), die reeds in §189 ter sprake kwam, is nauw verwant met de afschuiving. Men verbeelde zich nl. een cilinder door een groot aantal doorsneden loodrecht op de as in oneindig dunne schijfjes verdeeld, en deze om de as gedraaid, onder dien verstande dat de draaiingshoek geleidelijk toeneemt, wanneer men van het eene uiteinde naar het andere gaat, zoodat het verschil tusschen de draaiingshoeken van twee doorsneden evenredig is met den afstand waarop deze van elkaar liggen. Dat verschil, genomen voor de twee eindvlakken, wordt de hoek van wringing voor den geheelen cilinder genoemd; deelt men dezen hoek door de lengte, dan krijgt men den wringingshoek per lengte-eenheid.

Sluiten