Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ondergaat de temperatuur een kleine verandering, die in de beide getallen in tegengestelde richting is. Hoe het daarmede gesteld is, of b.v. de uitrekking van een verhooging of een daling der temperatuur vergezeld gaat, kan men door een thermodynamische beschouwing voorspellen. Men kan nl. met den draad een kringloop van Carkot uitvoeren, waarbij een isothermische uitrekking bij de temperatuur T en een isothermische samentrekking bij de temperatuur T' voorkomt, terwijl adiabatische veranderingen worden tusschengevoegd om van de temperatuur T tot T, en naderhand weer van T' tot T over te gaan. Stel nu dat de draad zich, wanneer de spannende kraeht constant wordt gehouden, bij verwarming uitzet, Dan zal, bij een bepaalde lengte, de spanning des te kleiner zijn, naarmate de temperatuur hooger is. Zal nu de draad bij den kringloop een positieven arbeid verrichten, dan moet hij zich samentrekken als de spanning groot, dus de temperatuur laag, en uitgerekt worden als die hoog is, d w. z. T moet hooger dan T' zijn. Daar echter bij eiken kringloop van Carnot, wanneer daarbij een positieve arbeid verricht wordt, liet werkende lichaam bij de hoogste van de twee temperaturen warmte opneemt, moet de isothermische uitrekking, want dit is de verandering die bij de hoogste temperatuur plaats heeft, onder opneming van warmte gebeuren. Blijft die warmtetoevoer achterwege, dan moet dus de uitrekking de temperatuur doen dalen.

Op dezelfde wijze kan men aantoonen dat bij een lichaam dat zich bij verwarming samentrekt, de temperatuur door een adiabatische uitrekking stijgt.

De waarneming leert dat werkelijk een metaaldraad bij plotselinge uitrekking een weinig afkoelt, terwijl een gespannen reep caoutchouc (§ 201-,y) daarbij in temperatuur stijgt.

Wij hebben hier alleen de richting der verandering besproken. Uit den regel voor het nuttig effect bij een kringloop van Carnot kan men een formule atleiden, waardoor het bedrag der temperatuurverandering bij een bepaalde verandering der spanning kan worden afgeleid. Deze formule, waarin de uitzettingscoëfïïcient, de soortelijke warmte en het mechanisch warmteaequivalent voorkomen, is door meting van het verschijnsel bevestigd.

§ 266. Blijvende toestandsveranderingen. Nawerking deiveerkracht. Zoodra de uitwendige krachten die den vorin van een vast lichaam wijzigen, een zekere grens overschrijden (grens der veerkracht) keert het lichaam na het opheffen dier krachten niet meer geheel tot de oorspronkelijke gedaante terug; de deeltjes hebben zich dan naar nieuwe evenwichtsstanden verschoven. Op de mogelijkheid van zulk een verschuiving berusten het smeden, pletten en draadtrekken.

Ook door temperatuurveranderingen kan de toestand van een lichaam blijvend worden gewijzigd en daarbij is de snelheid der temperatuurverandering menigmaal van invloed (§ 254).

Sluiten