is toegevoegd aan uw favorieten.

Beginselen der natuurkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men kan een dergelijke isothermisclie lijn ook voor andere temperaturen construeeren. De lijn A' B' C' D' b.v. heeft betrekking op een temperatuur van 121°. De abscis van het punt B' geeft het volume van een gram verzadigden waterdamp bij dezen warmtegraad aan, en is dus kleiner dan de abscis van B, terwijl de ordinaat van B' ruim tweemaal zoo groot is als die van B. Het stuk C' D' ligt iets ter rechterzijde van C D, zoo weinig intusschen, dat de afstand dezer beide lijnen niet te zien zou zijn geweest, wanneer wij de figuur nauwkeurig geteekend hadden.

Om op nieuw de afwijking van de wet van Boyle te beoordeelen, merken wij op dat het volume van een gram waterdamp onder een druk van 1 m.M. kwik nu bedraagt

760(1 + 121 X0,00366) _

9 X 0,0000896 _ ' X 1U C,M •

Gold de wet van Boyle, dan moest de verzadigde damp met zijne spanning van 1539 m.M. een ruimte innemen van

^T^r^ = 884

i ooy

Het werkelijke volume is echter 833 c.M3, d. i. ongeveer 6°/0 kleiner. De dichtheid van den verzadigden damp, vergeleken met waterstof van dezelfde temperatuur en spanning, is nu 9,6.

Uit deze getallen blijkt dat de afwijking van de wet van Boyle bij 121° grooter is dan bij 100°, wat trouwens te verwachten was, daar bij de eerste temperatuur de dichtheid van den verzadigden damp het grootst is.

Omgekeerd worden bij temperaturen beneden 100° de afwijkingen kleiner en kan men er b.v. tusschen 0° en 20° van afzien. Dientengevolge kan men gemakkelijk berekenen hoeveel waterdamp in een zeker volume lucht, b.v. bij 15° kan aanwezig zijn. Men zoekt in een tabel het maximum van spanning bij die temperatuur op, berekent hoeveel gram waterstof de gegeven ruimte zou bevatten als dit gas bij 15° onder een druk, gelijk aan dat maximum was gebracht, en vermenigvuldigt de uitkomst met 9, de relatieve dichtheid van waterdamp met betrekking tot waterstof.