Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeneu verschillende middellijnen hebben. Kwik staat in het enge been het laagst en water in het wijde.

Ook wanneer reeds andere oorzaken een hoogteverschil teweeg brengen, blijven de molekulaire krachten een invloed uitoefenen. Daardoor staat het kwik in de buis van een bakbarometer iets lager dan anders het geval zou zijn, en wel des te meer naarmate de buis nauwer is. Om hiermede rekening te houden, moet men bij het aflezen de hoogte bepaleu van den top van den meniscus en bij nauwkeurige metingen een correctie aanbrengen.

Om eenig denkbeeld van het mechanisme der besproken verschijnselen te geven, beschouwen wij nog eens het geval waarop Fig. 2.'50 betrekking heeft, in de onderstelling evenwel dat de vloeistof zich niet over den buiswand uitspreidt. Stel dat de buis aan het benedeneinde door een horizontaal vlak U is afgesneden. Wij verlengen den in de buis aanwezigen vloeistofcilinder tot aan het horizontale vlak V en vergelijken de vloeistofmassa ab c d met de even breede kolom a' b' c tl', die tot dezelfde diepte reikt. Het is duidelijk dat de laatste kolom van de omringende vloeistof tusschen de vlakken S en V geen kracht in verticale richting ondervindt; hij wordt dus geheel gedragen door de vloeistof beneden V.

Aan het vlak cd zijn de omstandigheden dezelfde als aan cd'. Op de kolom ab cd wordt dus door de vloeistof beneden V een kracht naar boven uitgeoefend, gelijk aan het gewicht van a' b' c d'. Met het meerdere gewicht van ab c d moeten de krachten evenwicht maken, die de kolom van den buiswand en van de omringende vloeistof tusschen U en V ondervindt. Zijn deze krachten, positief gerekend als zij naar boven gericht zijn, K, en K.2, is verder h de gemiddelde stijghoogte, <7 het oppervlak van de doorsnede der buis, en .« het soortelijk gewicht, dan is de evenwichtsvoorwaarde

A<ri = K,-)-K2 (11)

De kracht K, is samengesteld uit de verticale componenten van alle krachten die de in ab c d liggende vloeistofdeeltjes van den buiswand ondervinden. Daar evenwel molekulen als f en g door den wand in horizontale richting worden aangetrokken, behoeft men alleen op deeltjes zooals h te te letten, die in de onmiddellijke nabijheid van den binnenomtrek van het benedeneinde liggen. Het is niet moeilijk in to zien dat de kracht K, inderdaad naar boven gericht is, en dat hare waarde evenredig is met de lengte L van den zooeven genoemden omtrek, zoodat men kan stellen

K| = x L.

Wat K2 betreft, merken wij op dat het deel te cd van de beschouwde kolom door de even hoog liggende vloeistof tusschen U en V noch naar boven noch naar beneden getrokken kan worden; wij hebben dus alleen te doen met de krachten die de laagste deeltjes van abke ondervinden van

Sluiten