Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door een dergelijke redeneering kan men de schijnbare gewichtsvermindering vinden van een gedeeltelijk ondergedompeld lichaam, met inachtneming van de opheffing of neerdrukking der vloeistof, die langs het oppervlak daarvan wordt waargenomen.

§ 288. Twee elkaar aanrakende vloeistoffen. Ook de molekulen van twee verschillende vloeistoffen oefenen een aantrekking op elkander uit, en wanneer deze groot genoeg is zullen zij, met elkaar in aanraking gebracht, een homogeen mengsel vormen. In vele andere gevallen is de attractie hiertoe te klein en ook niet groot genoeg om, zooals bij water en aether, de eene vloeistof een weinig in de andere te doen oplossen, maar toch voldoende om te maken dat de eene vloeistof zich over de andere tot een dun laagje uitspreidt (olie op water) evenals water zich over een schoon glasoppervlak uitspreidt.

§ 289. Invloed der kromming van een vloeistofoppervlak op de dampspanning. Uit het in § 286 besprokene kan, door toepassing van het beginsel dat een aan zich zelf overgelaten stelsel een evenwichtstoestand aanneemt (§ 235), een interessante gevolgtrekking worden afgeleid. Onderstellen wij dat in een bakje met water A (Fig. 232) een enge glazen buis

B is geplaatst, dat het bedekt is met een klok, die overigens alleen waterdamp bevat, en dat het geheele stelsel op standvastige temperatuur wordt gehouden. In de buis heeft dan de vloeistof een gebogen, naar boven hol, oppervlak O, en een hoogeren stand dan in het bakje. In de punten E en C, stel het middelste punt van den meniscus, zal de damp nu spanningen aannemen die ongelijk zijn; immers, wanneer de spanning p in E de

anonninff nr! in T"llP,t, 0V6rtT0f 11161 6CI1

wru"iu6 r — ~

bedrag, beantwoordende aan het gewicht

der dampkolom D E, zou de damp in zijn geheel niet in evenwicht verkeeren (§ 204), zooals toch het geval moet zijn. Er moet echter ook, zoowel in E als in C, evenwicht zijn tusschen

Sluiten