Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ming op de (lampspanning kan men verder afleiden dat, evenals druppels in een dampmassa, ook dampbellen in een vloeistof moeilijk gevormd zullen worden. Stel b.v. dat wij water, dat aan een druk van 76 c.M. is blootgesteld, tot 101° hebben verhit. De evenwichtsspanning in 't geval van een plat oppervlak zou dan 78,8 c.M. zijn. Maar in 't binnenste van een dampbelletje, waarvan de straal minder dan 2X10~6c.M. bedraagt, zou de evenwichtsspanning minder dan 76 c.M. zijn. Daar de damp door den uitwendigen druk echter tot de spanning van 76 c.M. wordt samengeperst, zou hij zich tegen den wand van het belletje verdichten. Ook kleinere belletjes zouden, zoodra zij er waren, weer verdwijnen, en zullen dus klaarblijkelijk niet ontstaan.

^ el kunnen dampbellen gevormd worden aan de wanden van het vat, aan een in het water gelegden metaaldraad, of aan stofdeeltjes die in het water zweven; ook in luchtbellen, die door de ontwijking van opgeloste lucht ontstaan, kan het water verdampen. Zijn echter dergelijke gunstige omstandigheden niet aanwezig, dan kan men de vloeistof, zonder dat zij kookt, vrij wat boven het gewone kookpunt verhitten tot dat eindelijk onder hevig stooten de dampbellen gevormd worden.

§ 292. Eerste verschijning eener nieuwe plui.se. Eenige andere gevallen vertoonen met de zoo even besprokene veel overeenkomst. Water kan b.v. zeer goed eenige graden beneden • 1° worden afgekoeld, zonder dat het bevriest, of, zooals men zegt, in een toestand van oversmelting verkeeren. Het kan echter bij die lage temperaturen niet bestaan in tegenwoordigheid van ijs; het kleinste stukje ijs dat men er in werpt, doet een deel der vloeistof bevriezen, waarbij door de vrij wordende warmte | de temperatuur juist tot 0° stijgt, den eenigen warmtegraad bij welken (onder den gewonen dampkringsdruk) ijs en water naast elkander kunnen bestaan.

Uit dit voorbeeld blijkt, evenals uit de voorgaande, hoe hel eerste verschijnen van een nieuwe phase geheel andere omstandigheden vereiseht dan het aangroeien van een reeds aanivezige hoeveelheid daarvan. In water van — 5° zal een stukje ijs stellig aangroeien, maar daarom zal er nog niet een ijskristalletje in ontstaan. Welke voorwaarden voor uit laatste noodig zijn is

Sluiten