Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter eere van Prins Willem I te Dillenburg opgericht, en hield bij de inwijding van dit monument op 29 Juni 1875 eene openingsrede.

Wegens deze bemoeiingen benoemde de Keizer van Duitschland hem in het zelfde jaar tot ridder in de Pruisische Kroonorde der 3e klasse.

Na zijn emeritaat woonde hij tot 1892 te Rotterdam, daarna tot zijn overlijden te Utrecht.

Hij was voorts:

Mede-redacteur van „Licht, liefde, leven," 1854-1859.

Redacteur van „Geloof en vrijheid," 1867-1881.

Lid van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde, 1860.

Voorzitter van het Hoofdbestuur van het Nederl. Zendeling-genootschap, 1864.

Voorzitter van den Rotterdamschen Kring „Kunst en Wetenschap."

Lid van het Prov. Utrechtsch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, 1878.

Talrijk zijn zijne bijdragen, behalve in de tijdschriften, waarvan hij redacteur was, in: Vaderlandsche Letteroefeningen; Waarheiden Liefde; Godgeleerde Bijdragen ; Tijdspiegel; Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theologie; enz. ')

') Van zijne hand verschenen o. a.: Het wezen der deugd volgens het Evangelie (1849); Viertal leerredenen (1850); Christelijk feestboekje (1852); Over Johannes Ludovicus Vivus, den vriend van E r a s m u s (1853); A u g. S c h e f f e r's Christus Remunerator (1855); Kunstmiskenning, kunstvergoding en kunstwaardeering (1855); De biecht voor God van een groot man of de bekentenissen van Aurelius Augustinus (1857); De eenheid des Bijbels (1860); Bijwerk (1861); De noodzakelijke kritiek (1864); Humaniteit en Kunst (1870); Een reisherinnering (1872); Willem I, zijn geboorte en verblijf op Dillenburg (1873); Over de moeder van Petrus Paulus Rubens (1877); Leven van J. J. van Oosterzee (1884); Uit de verstrooiing saamgelezen bij veertigjarige ambtsvervulling (1885).

Zie over hein : Biographisch AVoordenboek der Noord- en ZuidNederlandsche Letterkunde door J. G. Frederiks en F. J. van den Branden; Kerkelijk Handboek door van Alphen; Manuscript predikantenlijsten door Ds. B o r g e r.

Sluiten