is toegevoegd aan uw favorieten.

De questierders van den aflaat in de noordelijke Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een onechte reliek zal gescholen hebben, behoeft niet te worden betwijfeld. In Augustinus' tijd reeds, plunderden monniken de kerkhoven, en verkochten de daar gevonden beenderen als relieken van heiligen >). Gregorius Magnus verhaalt, dat enkele Grieksche monniken in de stilte van den nacht bij de St. Pauluskerk de lijken opgroeven en de beenderen elders verstopten. Toen ze eens betrapt en ondervraagd werden, zeiden ze deze beenderen als reliquieën naar Griekenland te willen vervoeren, om ze daar te verkoopen 2). Deze voorbeelden zouden ook voor de Middeleeuwen met vele zijn te vermeerderen. Een derde en laatste reden, waarom men relieken vereerde, was, om daarbij aflaat te verdienen. We zagen reeds, dat men dien in de 7 kerken van Rome bij vele jaren tegelijk kon verwerven. Ook te Trier, waar Christus rok om de 7 jaren gedurende 14 dagen werd tentoongesteld, konden de geloovigen aflaat verkrijgen, bij machte eener bul van t jaar 1514. Leo X had vernomen, welke aanzienlijke relieken te Trier aanwezig waren. De rok van Christus, het hoofd van St. Cornelius en vele andere reliquieën werden in de hoofdkerk bewaard; ten einde nu de vereering dezer relieken te bevorderen, schonk hij vollen aflaat aan hen, die gedurende den genoemden tijd de kerk bezochten (plenissimam omnium peccatorum suorum indulgentiam et remissionem 3).

In ons vaaenand stond de reliekenvereering in hooge eere. Boven alle kerken bezat de Dom te Utrecht de meeste en de aanzienlijkste overblijfselen van heiligen. Behalve de reliquieën van Sint Maarten, waren in deze kerk relieken van St. Willebrord, St. Pontianus en vele meer. Die van Willebrord had men ten geschenke gekregen van het klooster Epternach in het jaar 1301 4). Twee eeuwen later (1520) vraagt 't kapittel nog eens om „een notabel deel als thoeft oft ligchaem van de reliquiën van sunte Willebroet", doch dit schijnt te zijn geweigerd, aangezien ze in een later opgemaakte lijst van alle relieken der kerk niet zijn te vinden 5).

1) M. A. Augustinus, De opcre monachorum, c. 28, in de uitgave: O p e r a omnia M. A. Augustini, Antw. 1701, T. VI, p. 364.

2) Gregorius Magnus, Registri epistolarum, Liber IV, Epist. XXX, in de uitgave Opera omnia Gregorii Magni, Parisiis 1705, Tom. II, p. 710.

,;) Hontlieim, Historia Trevirensis diplomatica et pragmatica, Augustae Vind. et Herbipoli, 1750, T. II, p. 593 — 595.

4) W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming Utrecht 1864, Dl. I, blz. 526. Hier vindt men den brief afgedrukt, die als geleide bij de relieken diende.

5) De brief met het verzoek is afgedrukt bij : Jhr. Mr. A. M. C. van Asch van Wijck, Plegtige intrede van keizer Karei den V ij f d e n i n U t r e c h t i n d e n