is toegevoegd aan uw favorieten.

De questierders van den aflaat in de noordelijke Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoeveel lvarel voor dezen dijk-aflaat moest betalen, hoeveel procent van de inkomsten hij aan den paus moest afstaan en of er veel van het ingezamelde geld aan het herstel der dijken endendoor de ramp geteisterden ten goede kwam, is mij onbekend. Een tijdgenoot die het weten kon, verhaalt ons, dat er voor het bepaalde doel niet veel is terechtgekomen. Erasmus zegt in zijn kernachtig Latijn, dat, toen de zee eens Westelijk-Vlaanderen had overstroomd en alles een droeven aanblik bood, „er zeer vrijgevige aflaten werden ingesteld, welke stonden onder toezicht van Adrianus, die onlangs paus is geworden. Het geld uit den aflaat zou voor de ongelukkigen zijn. Er werden mannen uitgezonden, die de plaatsen des onheils moesten bezoeken en daarvan verslag uitbrengen; men maakte er zelfs afbeeldingen van. Maar waar het geld gebleven is — zeker is niet veel voor dat doel gebruikt, waarvoor het werd bijeengezameld" '). De aartshertog Karei had dus voor zich een aflaat-monopolie, maar den St.Pieters-aflaat zal hij in die 3 jaren wel niet absoluut hebben durven en willen keeren. Hoe dit dan ook moge wezen, de paus wilde den „dijk-aflaat in Kareis landen bevorderen, en ï^.if daartoe aan zijn commissaris de noodige wenken, om maar buiten het gebied van den vorst te blijven. We merkten op, dat alle questen waren verboden, doch met één uitzondering: die van liet kapittel ten Dom te Utrecht. Terwijl de aflaatkramers rondgingen om hunne aalmoezen in te zamelen voor het herstel van de dijken, oefende het Utrechtsch domkapittel zijne questen uit, veilig onder het privilegie van den vorst. In het reeds meer genoemde charter van 16 Febr. 1515 wordt hun dit nog eens toegestaan, gelijk in Juni i5I4 reeds was geschied. Karei had hierover wel advies ingewonnen bij de commissarissen van zijn „dijkaflaat", maar daar was hij immers aan het rechte kantoor. Adriaan l-lorisz. de commissaris behoorde zelf tot de leden van het kapittel, dus kan het met anders of deze proost zal een warm woord gesproken hebben voor de bekende questen van den alouden Dom. Als ze maar geen andere indulgentiën prediken en den aflaat van Karei geen schade doen. dan mogen ze vrijuit hun beroep uitoefenen Den tod Juni wordt dit consent door hem nog eens herhaald"). Den 12<ien April 1518 vaardigt de eerste deurwaarder

vil'O rf'T" in. Zij T "TT' Co^ultatio «Ie bolle Tur.is infcr«„<lo, »gl. Opera o in n i a, Lugil. Bat. i7o|. Tom. V, p. 359.

•0 Bijlage n°. 91, blz. XCIV.

i) Bijlage n". .12. blz. XCV.