is toegevoegd aan uw favorieten.

De questierders van den aflaat in de noordelijke Nederlanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op St.-Thomasdag. Zijn broeder Andries die' Vriese, nam de St.-Ouirinus-quest gedurende 10 jaar. Het eerste jaar moest hij betalen 55 „goede overlantsche Rhynsche guldens", het tweede jaar 60 en zoo vervolgens ieder jaar 5 Rhynsche guldens meer. Eerste termijn van betaling was St.-Jacobsdag en de tweede „middenwinter". „In margine" staat geschreven: „expiravit". De man overleed en daarom maakte het kapittel in hetzelfde jaar een contract met zijn broeder Claes die Vriese Claessoen, doch op andere conditiën. De huurtijd is 8 jaar en de pachtsom: het eerste jaar 85, het tweede 90, het derde 95, het vierde 100 „goede gouden overlantsche Rhynsche guldens", en de daarop volgende 4 jaren, ieder jaar 110 Rhynsche guldens. De quest van St. Comelius Indensis bij Aken kreeg priester Lievijn de Hont in pacht gedurende 17 jaren, ingaande Sinte Peter ad Cathedram, elk jaar voor 220 „goede oude Vrancryxsche vrancken". Hij mag de huursom in 3 termijnen betalen, doch moet de procuratie van het klooster zelf verwerven, waarbij het domkapittel hem wil behulpzaam zijn. Bij de quest van den schutspatroon van het bisdom, St. Martijn, treffen wij nog iets merkwaardigs aan. In 1449 wordt deze verpacht aan Johannes Coinan gedurende 5 jaren voor 180 „goede oude Vrancryxsche vrancken", in 3 termijnen te betalen, op St.-Joliannesdag, St.-Lambertusdag en St.-Catherinendag. Blijft hij in gebreke de pacht op den bepaalden tijd te voldoen, dan ontvangt hij een boete van „100 Vrancr. vrancken". Maar bovendien, en dit is het eigenaardige, moet hij ieder jaar aan eiken kapittulair van den Dom op St.-Jacobsdag „enen goeden harnasschen kese geven, die wegen zal XVIII pont, of enen ouden Vlaemschen groet voor elc pont". Dit is dus nog een opbrengst „in natura", een Hoornsche (?) kaas van 18 pond. Hoe groot de waarde van de gift was, is wel met eenige zekerheid te bepalen. Een oude Vlaemsche groot was ongeveer gelijk aan yj ct. in ons muntstelsel; dus ieder lid van 't kapittel ontving zulk een 18-pondige kaas of ƒ1.35 '). Voorts is opmerkelijk, dat in alle rekeningen er uitdrukkelijk bij gezegd wordt, dat men betalen moet in een munt „die voir datum sbrieffs gemunt ende geslaghen is". Men wilde hierdoor natuurlijk voorkomen, dat geld van een minder percentage zilver gebruikt werd. In dezen tijd met zijne vele munt-variatiën was een dergelijke maatregel dringend noodig. Het zou een nutteloos werk zijn voor ieder jaar af te schrijven,

1) A. Hollestelle, Het Schild, Tholen 1)1/. >05.