is toegevoegd aan uw favorieten.

De Honte en het eiland Borssele

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eigendom, waarover de Abdij te beschikken had, bestond dus klaarblijkelijk uit grasland, daar alleen in betrekking tot de opbrengst van voeding voor schapen sprake is. liet land werd dus beweid; liet bestond uit gorzen, en ongetwijfeld uit gorzen, waaruit kort daarop de genoemde nieuwe landen zijn gevormd.

Hostholt lag over „de rivier" de Laralia of zooals liet tegenwoordig in Zeeland zou luiden over de Larec ot Lavc, en, wij vernamen het hiervoren, in Ellewoudsdijk draagt de hofstede aan den Wel- ot' Weeldijk, tegenover het daar ingesloten pand der Yve nog altoos den naam van Dc Loire. Dresselhuis zocht Hostholt in de Breede \\ atering beoosten Yerseke, terwijl hij omtrent de Lare verklaart deze niet te durven bepalen, (b)

In 1003 en 1040 komt Hostholt til' Oosthout nog voor; later wordt daarvan onder die benaming geene melding meer gemaakt, en in 1280 wordt reeds Oudelaude genoemd.

Vroeg, zeer vroeg, schijnt Oudelaude aan Baarland, ot omgekeerd Baarland aan Oudelaude, te zijn gehecht met dijken of dammen I K en L M, zooals die op kaart 11 zijn aangeduid. Maar hoe vroeg de verbinding van de heerlijkheden ook moge zijn geschied, de indeeling Van het daardoor verkregen gebied is geheel in overeenstemming met de natuur van het iu de middeleeuwen met zooveel zorg behartigde leenwezen; zij getuigt dat de leeneu ol heerlijkheden ten allen tijde op dezelfde wijze zijn vergroot.

Dan, al werd het ambacht met Baarland verbonden, waterstaatkundig bleef het van dat land gescheiden. Het had zelfs iu 1525 nog geen dijksbestuur. De bijdrage, die in dat jaar ten behoeve van Oud-Everinge moest worden opgebracht, werd omgeslagen door Jan Leen aarts, door den dijkgraat van Borssele, die ook belast was met de inning van het daarvoor te heffen geschot over Coudorpe. (</)

l) J. Ab. Utrf.cht Drt.ssfi.huis. Dc Provincie Zeeland in haar aloude gesteldheid, y) Jan Leimaiuis of Lf.enaakts was dijkgraaf van Borssele. Zie bladzijde 1611 van dit werk.