is toegevoegd aan uw favorieten.

Delphi

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke de driehoekige gevel uitstak; het gevelveld en de metopen waren met beeldhouwwerken versierd, van welke nog vrij onbeteekenende fragmenten zijn gevonden. Trad men tusschen de zuilen door naar binnen, dan kwam men in eene voorhal, welke door eene deur wederom toegang gaf tot de eigenlijke schatkamer. Dergelijke gebouwen werden vaak uit dankbaarheid voor eene overwinning of orn andere redenen door de verschillende staten in den temenos voor de godheid opgericht, om er de kleinere wijgeschenken te bewaren. Ze werden beschouwd als de schatkamers van de godheid zelve, niet als die van de volken, die ze hadden opgericht, gelijk men geneigd zou zijn te gelooven. Het is ons echter bekend , dat wijgeschenken van geheel vreemde vorsten en volken in deze huizen werden geborgen ; alles, wat om de eene of andere reden niet geschikt was voor opstelling of wat door den tijd of een ongeval minder mooi was geworden, werd in de verschillende schathuizen ondergebracht (*).

Stijgen we nu weer verder den weg op, dan zien we, na eerst aan onze linkerhand de open plaats opgemerkt te hebben. waar volgens P. (-[-) eene groote beeldengroep, een wijgeschenk der Gnidiërs, stond, een vierkanten bouw aan denzelfden kant van de straat, hoog boven deze uitstekend (>$). Gelijk dadelijk de vorm der grondslagen ons toont, is het wederom een schathuis, welks voorfapade naar het westen gekeerd is, zoodat men van af den heiligen weg niets anders dan de blinde zij- en achtermuren zag. Het is een oude doch zeer mooi uitgevoerde en kostbare marmerbouw geweest, versierd met beeldhouwwerken van een vergevorderden archaïschen stijl, gelijk vele fragmenten bewijzen. Vóór het gebouw lag een terras, hetwelk van af de straat met trappen toegankelijk was. Wanneer we nu zien , dat P. (X. XI. 2), zijn weg vervolgend, het eerst het schathuis der Syphniërs noemt, is men natuurlijk zeer geneigd dien naam aan den boven beschreven bouw toe te kennen , gelijk men dan ook bij de opgraving oorspronkelijk gedaan heeft, totdat de vondst van eene inscriptie bewees, dat we hier met een gebouw der Gnidiërs te doen hebben. Die omstandig-

° o

beid heeft aanleiding gegeven tot allerlei gissingen omtrent den Pausaniastekst en men was dadelijk tot het voorstellen van «verbeteringen" gereed. Gaan we echter eenvoudig na, wat P. moet hebben gezien en hoe zijne gewone methode van beschrijven is, dan geloof ik, dat we, alle conjecturen ter zijde latende, eene zeer begrijpelijke verklaring van deze schijnbare onjuistheid kunnen geven. Wanneer men nl. tot op deze hoogte van den weg is gekomen, heeft men, gelijk reeds boven opgemerkt is, aan zijne linkerhand de liooge, blinde muren van onzen bouw, aan zijne rechter- een dergelijken muur van het gebouw, dat ten noorden van den weg gelegen is. Het is natuurlijk geheel onmogelijk, een gebouw te deterrnineeren, alvorens men den voorkant ervan heeft

(') Herod., I. 14, 50, 51; IV. 162.

(-j-) Paus. X. XI. I; voor do plaats ïiu hot kaartje, n°. 12. ($) Zie kaartje, n". 13