is toegevoegd aan uw favorieten.

Delphi

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewend heeft, nu plotseling een groot plein vóór zich ziet en aan het eind daarvan de stoa der Atheners (P., X. XI. 5; zie kaartje, n°. 1 9). Hij heeft zoo juist over het schathuis der Atheners gesproken en nu hij dadelijk daarop een ander gebouw van dezen in het oog krijgt, gaat hij in zijne gewone vluchtigheid, zonder verder te letten op wat hij voorbijkomt, daarop over; mogelijk, dat hij straks nog een en ander vermeldt van wat hier te zien was.

Eerst echter: wat kan de beteekenis van dit plein zijn? Denken we ons Delphi in den tijd der negenjaarlijksche groote Pythiën (*), het feest ter gedachtenis aan den strijd van Apollo met den draak Pytho, den wachter der Aardgodin, die het orakel bewaakte en den omtrek onveilig maakte (-]-). Een godsvrede is op aarde neergedaald; oorlogen rusten en van alle streken der wereld komen pelgrims op naar de plaats, waar de lichtgod zijn zetel veroverde. Elke staat zendt zijn afgevaardigde; allerlei drukte heerscht in stad en heiligdom. Op de pleinen der voorsteden worden tenten opgeslagen door hen, die niet, door een band van gastvriendschap met Delphi verbonden, van de noodzakelijkheid ontheven zijn voor zichzelf te zorgen. Overal ziet men vreemdelingen rondgaan, om de wijgeschenken hunner steden of die zijzelf persoonlijk den god hadden gewijd , te inspecteeren en zoo noodig schoon te maken. Nieuw opgepoetst blinken metaal en marmer met vernieuwden glans en de kleinere wijgeschenken, de koperen drievoeten, de zilveren en gouden vaatwerken worden uit de schathuizen te voorschijn gehaald, om straks in den optocht mee te worden rondgedragen of wat onversierd was, te sieren. De belangen van heiligdom en staten worden druk besproken; immers straks, als de feestelijkheden zullen zijn afgeloopen, zal de groote vergadering der Amphyctyonen gehouden worden. En ook die feestelijkheden zelf worden voorbereid, de kolossale feestmaaltijd, de offers, die in grooten getale der godheid zullen worden gebracht. Hier en daar klinkt zachte muziek en gezang van hen, die mee zullen dingen naar de prijzen der muziek-agonen, en te midden van het gewoel ziet men de beroemde athleten van Griekenland, die zich straks met elkander zullen meten in de verschillende kampstrijden. Het spreekt vanzelf, dat van al die drukte en beweging dit plein, ongeveer in het midden van den temenos gelegen, het brandpunt geweest is. Bij de feestelijkheden zelf speelt het echter nog grooter rol. Immers, het zal zijn op »een plein van den temenos van Delphi, dat nogmaals die reuzenstrijd zal worden vertoond; dat men zien zal, hoe het vreeselijk monster, de Pytho, door den god met zijne pijlen gedood wordt, hoe het gedrocht zich nog een eindweegs voortsleept, naar beneden over den weg, dien we nu den heiligen noemen" (§).

In den geheelen temenos nu is geen ander plein te vinden, geschikt

(*) Voor liet volgende vgl. Mommseu, Delphica, p. 177.

(f) Over deze sage en hare verschillende vormen vgl. Delphica, p. 168 e. v,

(sj) Vgl. Plntarchus, Quaettiones Graecae, 12, Dc Defect. Oracttl., 15.