is toegevoegd aan uw favorieten.

Over oploswarmten in het algemeen, die van Cd S O4 8/3 H 2 O in het bijzonder

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE GEDEELTE.

De theoretische oploswaemte van CdS04 -§- H,0, in verband

met het minimum van oplosbaarheid.

§ 1. Historisch Overzicht.

Toen men in navolging van Gay-Lussac het verloop van de oplosbaarheid als functie van de temperatuur graphisch voorstelde, vond men al spoedig, dat bij de meeste zouten de oplosbaarheid met de temperatuur toeneemt. Tegelijkertijd trachtte men zich van 't oplossingsproces een voorstelling te maken.') Men nam destijds aan, dat de oplossing van een vast zout in water tot stand komt, indien de levende kracht der vaste moleculen, die niet in staat is, de aantrekking van de vaste moleculen op elkaar te overwinnen, daarentegen wel het vermogen bezit, om de aantrekking der vaste moleculen onderling en der watermoleculen onderling te overwinnen, wanneer zij daartoe wordt bijgestaan door de aantrekking van de vaste moleculen op de watermoleculen. Daar de oplossing dus zou intreden door beweging der moleculen en gepaard zou gaan met verbruik van levende kracht, zou ieder oplossingsproces derhalve vergezeld moeten zijn van een warmteabsorptie. Werd hierbij warmte ontwikkeld, dan moest deze worden toegeschreven aan een tegelijk optredende chemische reactie, bijv. de binding van water door het zout tot een hydraat in de oplossing.

En in de tweede plaats eischte de voorstelling, dat de oplosbaarheid met de levende kracht der moleculen en dus ook met de temperatuur moest toenemen.

Om verklaring te geven van de weinige uitzonderingen op den

x) Handbuch der Anorg. Chemie von Gmelin-Kraut. Erster Band. Erste Abteilung S. 474.