is toegevoegd aan uw favorieten.

Over oploswarmten in het algemeen, die van Cd S O4 8/3 H 2 O in het bijzonder

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arrhenius1) heeft in de bepaling van den temperatuurscoëfficiënt van het geleidingsvermogen een middel gevonden, om de ionisatiewarmte te berekenen. Hij vond, dat bij alle onderzochte zouten de dissociatiewarmte positief is (de dissociatie gaat dus gepaard met warmte-ontwikkeling) met uitzondering van enkele organische zouten als natriumpropionaat en natriumbutyraat. Bij de sterke zuren treedt eveneens een warmte-ontwikkeling op. Bij de zwakke zuren vindt hij nu eens een warmte-ontwikkeling (bijv. propionzuur, phosphorzuur), dan weer warmte-absorptie (bijv. azijnzuur, barnsteenzuur). Opmerking verdient nog, dat by azijnzuur de waargenomen warmte-absorptie zeer gering is (28 calorieën) en bij hoogere temperatuur in warmte-ontwikkeling overgaat2).

Wat de volume-verandering betreft, die tengevolge van de vermenging der beide vloeistoffen optreedt, zoo hebben de metingen van Kohlrausch en Hallwachs3) geleerd, dat tengevolge van de aanwezigheid van vrije ionen het oplosmiddel water een sterke contractie ondergaat. Dezelfde conclusie kan men ook trekken uit onderzoekingen van Tammann 4) over den invloed van den druk op het electrische geleidingsvermogen van oplossingen. Deze vond, dat yerhooging van druk het geleidingsvermogen verhoogt. Past men nu het beginsel van Le Chatelier 6) toe, dan volgt hieruit dat ionisatie volumevermindering moet tengevolge hebben.

Daar het volume bij ionisatie kleiner wordt, zal een warmteontwikkeling hiervan het gevolg zijn.

Houdt men nu met beide factoren rekening, dan zal dus bij de meerderheid der electrolyten een warmte-ontwikkeling tot stand komen (als som der positieve ionisatiewarmte en der positieve voluumwarmtej. Bij de weinige stoffen, waarbij de ionisatiewarmte negatief is, zal de totale warmte ontwikkeling negatief zijn, tenzij de warmte ontwikkeld tengevolge van de volumevermindering een grootere positieve waarde heeft.

1) Zschr. phys. Ch. 4. 96 (1889): 9 339 (1892).

2) In zooverre het geleidingsvermogen later gebleken is (zie Jahn, Zschr. ph. Ch. 33, 546) geen juiste maatstaf te zyn voor do beoordeeling van den ionisatiegraad, is er in al deze bepalingen veel onzekers.

3) Wiedem. Ann. 53. 14. (1894); 56. 185 (1895).

4) Zschr. phys. Ch- 27. 457 en Ann derPh. und Ch. Neue Folge Bd. 69.767.

6) Equiiibres chimiques page 210.