is toegevoegd aan uw favorieten.

Over oploswarmten in het algemeen, die van Cd S O4 8/3 H 2 O in het bijzonder

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De concentratie, waarbij eventueel de oplos warmte van het anhydriet nul wordt, is grooter dan die, waarbij de oploswarmte van het hydraat de waarde nul bereikt.

Men ziet dus, dat dezelfde conclusies, die uit de oude voorstelling der oploswarmte door Bakhuis Roozeboom reeds getrokken zijn, ook met evenveel gemak uit deze nieuwe voorstelling der mengwarmte te trekken zijn. Dat hierbij de coordinatenassen niet zooals gewoonlijk rechthoekig op elkaar staan, maar schuin, levert natuurlijk niet het minste bezwaar op.

Evenals men gewoon is te spreken van de oploswarmte van vast zout in vloeibaar water, kan men zich ook denken de oploswarmte van ijs in vloeibaar zout. Deze oplos warm telijn is ook gemakkelijk uit de mengwarmtelijn afteleiden. Men heeft daartoe slechts op de wateras een stuk Bw af te zetten, voorstellende de smeltwarmte van ijs. Verbindt men A met w, dan zal de mengwarmtelijn voorstellen de oploswarmte van ijs in vloeibaar zout, als men de ordinaten afrekent van de as Aw.

Ook de theoretische oploswarmte van anhydriet en hydraten is uit de mengwarmtelijn te bepalen, zooals uit 't volgende blijkt: Zij wederom AbB (fig. 29) de lijn der mengwarmte en de concentratie der oplossing, verzadigd ten opzichte van't anhydriet: BE = cs. Indien AS de smeltwarmte is, is dus — Db de oploswarmte van cs mol. anhydriet in water tot verzadiging toe. Nu wenschen wij echter te kennen de oploswarmte bij oplossing in oneindig veel der reeds verzadigde oplossing. Dit is het eenvoudigst uit te rekenen per mol. anhydriet. De gevraagde warmte verdeelen wij in tweeën: 1°. de smeltwarmte van 1 mol. anhydriet: — SA, 2°. de mengwarmte van 1 mol. gesmolten anhydriet met co hoeveelheid der oplossing van de concentratie c3. Deze laatste mengwarmte is als volgt af te leiden. Mengen wij vooreerst 1 mol. anhydriet met 1 mol. der oplossing van de concentratie cs, dan ontstaat daardoor een oplossing, bevattende aan zout 1 + c3 mol. en aan water 1—cs mol, te zamen 2 mol. oplossing van de concentratie -1- -f +c8 of cs -f i (1—cs), welke uitgedrukt wordt door het punt H. Bij de directe vorming dezer oplossing uit vloeibaar anhydriet en water zou ontwikkeld zijn een warmtehoeveelheid