is toegevoegd aan uw favorieten.

Rapport aan de commissie van bijstand in het beheer der gemeentewaterleidingen van Amsterdam in zake de exploitatie van de prise d'eau dezer waterleidingen te Leiduin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water voor do toeneming van het verbruik benoodigd, gemakkelijk worden verkregen door de capaciteit van de Duinwaterleiding geleidelijk uit te breiden.

Om verschillende redenen kan ik mij in den tegenwoordigen stand van de onderhavige kwestie zeer goed vereenigen met het door den heer van den Bergh ontwikkeld denkbeeld.

Wat is toch het geval 'i

Amsterdam heeft eigenlijk gcene drinkwaterkwestie meer. Voor het oogenblik wordt in de behoefte voorzien, terwijl men zich —zooals hierachter blijkt — voor de toekomst niet behoeft bezorgd te maken.

Desniettegenstaande aarzelt men, van ouds bestaande, op niets gegronde, bezwaren te laten varen en eene oude legende, waarvoor evenmin grond bestaat, prijs te geven; er wordt waarde gehecht aan zoogenaamde „te korten'', net alsof het in den schoot der aarde aanwezige zoetwaterbassin van meer dan 100 Meter diepte en van eene uitgestrektheid van verscheidene honderd millioenen vierkante Meters, zou zijn gelijk te stellen met een vat, waaruit men beweert dagelijks te kunnen meten de hoeveelheid, die er afgaat en het restant, dat overblijft.

Dergelijke redeneeringen zijn niet te rijmen met de uitkomsten, die op andere plaatsen van dezelfde duinformatie worden verkregen. Zij berusten uitsluitend op veronderstellingen, waarvan de juistheid door geen enkele waarneming of feit wordt bevestigd.

Het is — ik herhaal het — geheel buiten twijfel, dat bij eene rationeele exploitatie uit de beschikbare prise d'eau eene voldoende hoeveelheid uitmuntend duinwater te vinden zal zijn om in de behoefte van de hoofdstad op ruime wijze te voorzien, zoo zelfs, dat liet uitbreiden van de draineerleidingen naar het zuiden (door den heer van den Bergh, alhoewel als niet noodig, toch als veiligheidsfactor in zijne nota opgenomen> volkomen overbodig is te achten.

De nota zegt terecht, dat het vraagstuk der drinkwatervoorziening van Amsterdam geheel is veranderd door de ervaringen van de laatste jaren, welke ten overvloede geheel overeenkomen mot de uitkomsten, die sedert jaren werden verkregen bij de 's-Gravenhaagsche Duinwaterleiding.

Het valt tevens niet te ontkennen, dat, indien men in vroegere tijden over deze ervaringen had kunnen beschikken en men zich niet had laten afschrikken door de genoemde denkbeeldige „tekorten", niemand er aan gedacht zou hebben om elders naar water te gaan zoeken, en nog veel minder om daarvoor grootsche plannen op touw te zetten. De hoofdzaak is thans, dat men zich van verouderde inzichten en vooroordeelen losmaakt, plannen gebouwd op onjuiste en onvolledige gegevens on waarvan de uitvoering met alle redelijkheid in strijd zou zijn, laat varen en dat men breekt met het tot nu toe gevolgde stelsel van exploitatie der beschikbare duinen.

Neemt men het vraagstuk gelijk de nota het stelt: kan het Amsterdam ter beschikking staand duingebied voorzien in de behoefte van de eerste 15 jaren, dan is daarop het antwoord, dat het mij, na de zoowel te