is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Dominicaner klooster te Zwolle

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klooster te Rijssel aan. De roep zijner vroomheid en geleerdheid ontsloot voor Alanus niet alleen de kloosterpoort, maar gaf hem ook onmiddellijk toegang tot een leerstoel : hij werd lector of professor in het klooster.

Het was omstreeks Paschen 1463, zoo verhaalt ons Alanus, dat hij gedurende eene geestelijke beschouwing bevoorrecht werd door een hemelsch visioen. De allerheiligste Maagd Maria verscheen haren dienaar, gaf hem blijken van de teederste liefde en beval hem het Rozenkransgebed overal te prediken. De grootste gunsten zouden hem te beurt vallen, zoo hij dit apostolaat trouw en ijverig vervulde, doch bleef hij in gebreke, dan zouden zware straffen hem treffen. Buiten zichzelven van vreugde, spoedde hij zich tot zijne broeders, verhaalde hun zijn buitengewone zending en maande hen aan, om mede te werken tot de herleving en verbreiding dezer oude devotie. Nieuw toch was het Rozenkransgebed niet.

Van oudsher bad het volk zijn Pater Noster, zoowel de vorst en de edelman, als de poorter en de dorper (1). Doch bij velen was dit gebed langzamerhand in onbruik, in vergetelheid geraakt ; van de broederschap wras nauwelijks nog een spoor te bekennen.

Onder goedkeuring van Willem Filiardus, bisschop

(1) De beroemde Minderbroeder-Observant, pater Brugman, spreekt in zijn eerste leven van de H. Liduina, geschreven vóór 1448 (Vita prior A. S. S. t. XI. p. 300), van geloovigen, die met hun paternoster het gelaat der ontslapen Heilige aanraakten, en noemt dit bidsnoer: quinquagenarium quod vulgo Pater noster d'citur. In zijn tweede leven, geschreven in 1456 (Vita posterior A. S. S. t. XI. p. 360), noemt hij het: lapillorum quorundam congeriem quam vulgus Germanicum Pater noster vocare consuevit. Hieruit blijkt, dat jaren vóór Alanus' prediking het paternoster, vijftigkralensnoer of de rozenkrans in deze gewesten een volksgebed was.