is toegevoegd aan uw favorieten.

Statistische en andere bijdragen tot de kennis van het astigmatisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10° Itij 232 pat.

20° „ 100 „

30° „ 78 „

40 0 ,/ .",8 „

50° „ 15 „

<>03 „ 12 „

703 u 11 »

803 n O //

90° „ 13 ,/

HO3 „ 2 „

In :il»2 gevallen d. i. in «»<»,4 o/0 is het verschil in stand der maxima van breking op beide oogen niet meer dan 20 8, in 33,6 % meer.

Ook uit deze cijfers blijkt, dat zelfs bij den asymmetrischen asstand een groote neiging tot symmetrie bestaat.

Yan de 13 gevallen waarin de assen der maxima van breking op beide oogen een hoek van 90 ° met elkaar maken, zijn er 12 die in het éóne oog het maximum verticaal, in het andere horizontaal hebben.

Deze oogen behooren blijkbaar tot een afzonderlijke groep gerekend te worden.

Eveneens geldt dit van die oogen wier maxima parallel loopen, in het geheel 30 gevallen:

n.1. 1"> waarbij de maxima 10° nas. en 10' temp. gelegen waren

i n n u 20 ' if H 20 // n i,

o i ° 'in0

- // // t; ')yj n 'I ou // tl II

6 H n „ 40 n u 4' • u i, ii

Knapp vond bij zijne 530 patienten met asymmetrischen asstand 38, wier maxima in het eene oog verticaal, in het