is toegevoegd aan uw favorieten.

Statistische en andere bijdragen tot de kennis van het astigmatisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere horizontaal verliepen, slechts 2 waarbij de assen parallel stonden.

Pflüger vond bij 1910 astigmaten die hij ophthalmometrisch onderzocht in 0 % een parallel asverloop.

Ik vind slechts :J0 gevallen bij 2424 pat. d. i. dus ruim 1 % ; waarschijnlijk wordt dit verschil veroorzaakt door de verschillende methoden van onderzoek.

Risley en Thorington vonden bij l!>7!i binoculaire astigmaten, 17-i gevallen waarbij de maxima loodrecht op elkaar stonden, 41 wier assen parallel verliepen. Deze laatste cijfers verschillen aanmerkelijk van de mijne. De methode waarmede Risley en Tiiorington den asstand bepaalden is mij niet bekend.

B. Richting van het maximum van breking.

Donders schrijft hieromtrent ,,dat in het algemeen de resultaten leeren, dat het maximum van breking veel minder in den horizontalen, dan in den verticalen meridiaan gevonden wordt."

Daarentegen schrijft Nagel in Tübingen, dat bij het myopisch astigmatisme de sterkst brekende meridiaan gewoonlijk ongeveer horizontaal is, terwijl het bij het hypermetropisch astigmatisme juist omgekeerd is.

Emil Javal had, toen hij zijn arbeid in de „Traité tliéorique et pratique des maladies des yeux par L. Wecker II pag. 829" schreef, nog geen vast besluit omtrent de meest voorkomende richting van het maximum van breking. Hij schrijft daarin het volgende: „Mème sur nos tableaux

') Arch. f. Oi>hthalmol. XII. 1. pag. 21».