is toegevoegd aan uw favorieten.

De perithecium-ontwikkeling van Monascus purpureus Went en Monascus Barkeri Dangeard in verband met de phylogenie der Ascomyceten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen Phycomyceten cn Mycomyceten. Myceliumdraden van Chlaniydomucor tijdens de chlamydosporenvorming doen weinig aan eene Phycomyceet denken. Trouwens alle Phycomyceten hebben in hunne voortplantingsorganen het vermogen septa te vormen, maar geenszins kan ontkend worden, dat een gesepteerd mycelium een kenmerk is der hoogere vormen onder de schimmels tegenover de lagere, al zijn er enkele uitzonderingen, zooals de pas ontdekte vorm, Coenomyces consuens, door DECKENBACH in FLORA 1903 beschreven. *)

Aan den anderen kant dient echter weer niet uit het oog te worden verloren, dat het optreden van septa bij de Mycomyceten niet gelijkwaardig mag gesteld worden met het optreden van celwanden bij de hoogere planten. De septa bij de eerste groep verdeelen het mycelium in de meeste gevallen niet in onderling gelijkwaardige eenheden, wat de celwanden het lichaam der hoogere planten wel doen.

Het voorkomen van gesepteerd mycelium bij de Hemiasci mag dus waarschijnlijk wel opgevat worden als een bewijs van hoogere ontwikkeling ten opzichte van de groote massa der Phycomyceten, maar niet als een bewijs voor eene nauwere verwantschap met de Ascomyceten speciaal.

i) In dit verband is ook te herinneren aan Klebs'proeven, waarbij het hem gelukte Mucor racemosus een gesepteerd mycelium te laten voortbrengen, „so dass man das Mycelium eines höheren Pilzes zu sehen glaubt". (Die Bedingungen der Fortpflanzung bei einigen Algen und Pilzen von Dr. Georg Ki.EBS Jena 1896, pag. 513, fig. 14 c, pag. 494.)