is toegevoegd aan uw favorieten.

De perithecium-ontwikkeling van Monascus purpureus Went en Monascus Barkeri Dangeard in verband met de phylogenie der Ascomyceten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na 't verschijnen van Schkoeters werk is nog 't geslacht Taphridium beschreven, dat volgens zijne indceling tot de Protomycetacea; moet gerekend worden.

PROTOMYCES Unger.

Het geslacht Protomyces werd in 1833 door Unger opgesteld (Exantheme der Pflanzen p. 341) met vier soorten. Eén dier vier vormen, Pr. macrosporus, werd in 't zelfde jaar door Wau.ROTH als Physoderma gibbosum (Flora cryptogamica Germaniae Pars 2 p. 192 1833) beschreven.

Vele der beschreven Physoderma soorten zijn later, o.a.door schroeter, (Die Pilze Schlesiens 1889) onder denzelfden naam in de onder-familie der Cladochytriëi gezet of tot het geslacht Cladochytrium zelf gebracht, zooals door A. f"ischer (rabenhorst's Kryptogamen Flora i 4). Andere vormen zijn gebleken soorten van Sclerospora, Peronospora Melanota;nium, Entyloma, Doassansia, Tuburcinia, Ustilago enz. te zijn.

Ed. FlSCHER noemt in RABENHORST's Kryptogamen Flora i 5 (1897) voor midden Europa vier soorten: Pr. macrosporus Unger, Pr. pachydermus Thümen ('t eerst beschreven in Hedwigia 1874 p. 97), Pr. Kreuthensis J. KüHN (Hedwigia 1877 p. 124) en Pr. Bellidis Krieger (Fungi saxonici No. 1101). Van Pr. Kreuthensis zijn de zoogenaamde sporangiën en endosporen onbekend, zoodat voor ons alleen de drie overige van belang zijn.

Het zijn alle intercellulaire parasieten van groene plantendeelen, met een gesepteerd mycelium, dat op een bepaald moment in zijne ontwikkeling intercalair hyphe-opzwel-