is toegevoegd aan uw favorieten.

De perithecium-ontwikkeling van Monascus purpureus Went en Monascus Barkeri Dangeard in verband met de phylogenie der Ascomyceten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden niet fig. 18, 19, 21 en 25, Taf. IIIB van BREFEI.D en men krijgt dan den indruk, dat de voorstelling, welke Mej. Popta geeft, niet geheel juist is.

III. De vacuolen ronden zich af en zijn zeer ongelijk van grootte. In 't protoplasma treedt een groot aantal kleine oliedruppeltjes op en buitendien nog zich bewegende korreltjes.

IV. De omtrek der vacuolen wordt onduidelijk; de vacuolen verdwijnen, zonder haren vorm te hebben veranderd.

„Man muss offenbar annehmen, dass die Wand der Vacuolen immer dünner geworden sei,bisdiese endlich aufgelöst werde. Die Körner vermehren sich immer mehr, (1. c. pag. 6 en 7).

V. „Körnerstadium, (1. c. pag. 7). Homogeen protoplasma met vele korrels. Sommige plekken vertoonen geene korrels. („Reste der urspriinglichenVacuolen'j. Gekleurde praeparaten vertoonen (met osmiumzuur en Gentiaanviolet) vele bruine en blauwe stippen op licht-blauwen ondergrond en de ongekleurde „Vacuolenresten". Sommige der blauwe stippen zijn misschien kernen.

VI. „Sporenbildendes Stadium", (1. c. pag. 7). „Das lebende Material (Fig. 5, Taf. I) lasst viele Körner erkennen, dazwischen homogene Plasmatheile. Letztere sind in Bildung begriffene Sporen. Die umgebenden Körner sehen bei schwacher Vergrösserung aus, als ob sie sich zu Platten angeordnet hatten." (1. c. pag. 7.)