is toegevoegd aan uw favorieten.

De perithecium-ontwikkeling van Monascus purpureus Went en Monascus Barkeri Dangeard in verband met de phylogenie der Ascomyceten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwere techniek en dienovereenkomstig ook belangrijke resultaten verkregen.

ikeno's materiaal was hetzelfde als dat van Uveda, namelijk de Beni-koji-fungus.

De fixatie van het onderzoekingsmateriaal (de schimmel op brood gegroeid) had plaats met KëIZER's sublimaatazijnzuur en de kleuring der microtoom-doorsneden met HEIDENHAIN's ijzerhaematoxyline.

Elke kern bestaat uit een centraal lichaam, dat zich sterk kleurt, omgeven door eenen kleurloozen hof.

ikeno zegt later mededeelingen te zullen doen omtrent de bevruchtingsquaestie tusschen ascogonium en polliuodium en laat zich hier voorloopig aldus uit: 1. c. pag. 261. «Nachdem sowohl das Ascogon als der primare Hilfsfaden oder das Pollinod sich differenziert hat, schmiegt sich der letztere an das erstere seitlich dicht an ; im Ascogon nimmt man dann gewöhnlich vier bis neun, selten mehr, im Pollinod weniger Zellkerne wahr. Im alteren Zustande sieht man Ascogone mit einer Anzahl von grrtsseren und kleineren Zellkernen. Diese grosseren Zellkerne dürften durch die Befruchtung entstanden sein, wenn eiti solcher Vorgang überhaupt eintreten wird und dann besteht dieser Sexualakt aus der paarigen Verschmelzung vieler Zellkerne im Ascogon mit vielen aus dem Pollinod eingewanderten, da jeder dieser grosseren Zellkerne einen Keimkern darstellen dürfte."

Wat Went's «celluie terminale" betreft, heeft ikeno deze dikwijls leeg of met weinig, degenereerend protoplasma. teruggevonden. Zijn slotzin hierover 1. c. pag. 262 : »Aus diesen Beobachtungen scheint mir hervorzugehen.