is toegevoegd aan uw favorieten.

Over het verband tusschen de refractie en het brekende stelsel van het oog

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de cornea dan bij den myoop. Wanneer we nu bedenken, dat de afstand van de retina tot de cornea bij den verdiende kleiner, bij den bijziende grooter is dan bij den emmetroop, dan wijkt de ligging der hoofdbrandpunten afin denzelfden zin als de retinae. Het heeft dus den schijn, dat aan de abnormale ligging der retina voor een deel wordt tegemoet gekomen door deze eigenaardige ligging der hoofdbrandpunten, of beter geformuleerd door het brekende systeem van het oog.

Alvorens dit hoofdstuk te eindigen mogen we niet nalaten er op te wijzen, dat we zijn uitgegaan van de onderstelling, dat de aslengte van het oog bij de myopen grooter, bij de hypermetropen kleiner zou zijn dan bij de emmetropen. De aslengte zou dus in hoofdzaak de refractie bepalen. Dit nu is niet zoo direct aan te nemen zonder nadere bespreking.

Daar de radius corneae bij personen van verschillende refractie om eenzelfde gemiddelde schommelde en de lensstraal juist verschillen vertoont, die hoogstens den refractiegraad schijnen te corrigeeren, werd de aslengte beschuldigd de refractie-anomalien te doen ontstaan. De fout in deze redeneering ligt hierin, dat we te veel uit het oog verliezen, dat niet de absolute waarden van radius corneae, radiuslentis of aslengte, maar slechts hunne onderlinge verhouding van belang zijn voor het ontstaan eener refractie-anomalie. Om nu dus in deze onderlinge verhoudingen eenig inzicht te verkrijgen, brachten we de door ons gevonden waarden voor deze maten in teekening. We willen hieruit enkele punten releveeren, beschouwen dus eerst de cijfers der emmetropen, zooals ze in de curve zijn samengesteld.