is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek omtrent de samenstelling der bismuthnitraten en de evenwichten in het stelsel bismuthoxyde, salpeterzuur en water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieruit blijkt dus, dat aan de groote kristallen eveneens de samenstelling (5—5—8(of 9) toekomt en dat zoowel de formule 4—3—9 door Becker, als de formule 5—1—9 door Janssen aan dit zout toegekend, op analysefouten berusten Behalve in de bovengenoemde gevallen ontstaat het zout 6—5—8(9) eveneens, indien men de schubjes (1—1—'2) gedurende zeer langen tijd in een afgesloten ruimte boven water plaatst. De schubjes zijn hygroskopisch en wel in die mate dat zij na verloop van 6 maanden geheel door een laag vloeistof bedekt waren. Na een jaar waren deze schubjes overgegaan in dikke, recht nitdoovende kristallen (fig. 13) geheel gelijk aan de op blz. 75 besproken in de koude gevormde kristallen van 6—5—9(8).

De analyse gaf.

N°. XXXIII luchtdroog 79,59—15,53—4,90(1 : 0.84 : 1,59) of (6—5,04-9,5).

Het is opmerkelijk, dat het watergehalte van die praeparaten van het zout 6—5, welke door langzamen overgang uit de schubjes ontstaan zijn, en die zich onder het mikroskoop vertoonen als fig. 13, meer nadert tot 9 H.2<) *), terwijl dit cijfer voor het zout 6—5, hetwelk analoog aan fig. 16a en 166 kristalliseert, meestal lager blijkt te zijn en wel ongeveer 8 H.,02). Het blijft dus mogelijk, dat het verschil in kristalvorm moet toegeschreven worden aan een

1) Zie de analyses XXI blz. 7B en XXXIII op deze bladzijde.

2) Zie de analyses V, XXII op blz. 77 en IX, XXXII op blz. 78.

In deze vormen kristalliseert dit zout o. a. altijd indien het bij hoogere temperatuur ontstaan is.