is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoekingen over het stelsel over chloorzuur en water

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handen had. Door zaaiing nu van deze kristallen in het vorige mengsel in den toestand van oversmelting, zag ik, dat de kristallisatie hierin dadelijk te voorschijn werd geroepen en het eindsmeltpunt was gelijk aan dat, hetwelk ik na den omslag van dit mengsel door afkoeling gevonden had.

Wanneer nu inderdaad een hydraat HC1042,/2H20 bestond en indien inderdaad de aansluiting der takken van het hydraat met 2 en met 2l/s molecuul water is, zooals in de figuur geteekend is, dan is het duidelijk, dat als een mengsel met b. v. 70.2 molecuulprocenten water na het begin der kristallisatie bij —240 een eindstolpunt bij —46.5" vertoont, dit alleen kan, indien bij —30° ongeveer de uitkristallisatie van het hydraat met 21/, molecuul water niet plaats vindt. Was het mengsel, terwijl het het 2e hydraat uitscheidde, beneden —30° afgekoeld en werden er dan kristallen van het volgende hydraat in gezaaid, dan moest bij —30° een eutectisch punt gevonden worden. Inderdaad bleek het me, dat na de zaaiing alle vloeistof vast werd. terwijl de thermometer —30° bleef aanwijzen.

Een derde eindstolpunt, dat dit mengsel ook nog vertoonen kan, zal later ter sprake gebracht worden.

d. Smeltlijn van het hydraat HClOt21/iHiO.

Na het reeds besprokene was het nog noodig het hydraat in zuiveren toestand af te zonderen en de uitgestrektheid van zijn smeltlijn na te gaan.

Uit een vloeistof met 72.5 molecuulprocenten water werd het hydraat weer als een fraai kristalliseerende massa afgescheiden. De kristallen bevatten 71.52 molecuulprocenten water (moet volgens de formule zijn 71.43).

Bijna volkomen bij de samenstelling van het hydraat bevindt zich aan dien kant het einde der smeltlijn. Uit