is toegevoegd aan uw favorieten.

De banen en centra in de hersenen der Teleostiërs en Selachiërs

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voegen, zoodat van een bepaling van den loop dier vezelen in de oblongata in 't geheel geen sprake kan zijn.

Ook in de nabijheid van het acustische veld, waar bij de Teleostiers de fasciculus longitudinalis lateralis na de fibrae arcuatae dorsales gevormd te hebben eindigt, vindt men bij Galeus met gewone methoden van onderzoek geen voldoenden grond voor het vaststellen dier verbinding.

Een subventriculair gelegen bundel van kruisende vezelen, door den fasciculus longitudinalis dorsalis heengaand en zich eenerzijds verliezend in 't acustisch veld, anderzijds in een groep vezelen direct lateraal van den achterstreng, is met geen zekerheid als zoodanig te interpreteeren.

Wel zijn onder de vele fibrae arcuatae van dit gebied meerdere van zulk verloop te herkennen, dit alleen echter geeft mij niet het recht, die als oorsprongsbundels van een aan den lateralen fascikel der Teleostiers homologen bundel beschouwen, al ben ik voor mij er ook van overtuigd, dat deze bij de Selachiers met hun nog sterker dan bij de beenvisschen ontwikkeld statisch centrum, aanwezig is.

Ik hoop hieromtrent later, na experimenteele waarnemingen meer te kunnen mededeelen. Duidelijker kunnen gelukkig de aangaven zijn, aangaande de tracti thalamo- en tectobulbarcs ct spinalcs, die ik hier tezamen zal bespreken daar een scheiding tusschen de thalamische en tectale oorsprongsbundels niet is te maken.

Al zijn deze, gelijk ik reeds meermalen opmerkte, bij de Selachiers zooveel sterker dan bij de beenvisschen ontwikkelde bundels, ook wat hunne verschillende samenstellende, gekruiste en ongekruiste, voorste en achterste, deelen betreft, niet zoo gespecificeerd te vervolgen als bij Gadus, toch valt te constateeren, dat ze, nadat een aanzienlijk gedeelte (fig. 70, 71) in het cerebellum getreden is, voor het overige gedeeltelijk in de ventrale grijze lagen der medulla oblongata, eindigen en voor een minstens evengroot gedeelte verder achterwaarts trekken.

De grijze oblongata massa, zoo duidelijk bij Gadus in 't