is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdrage tot de kennis van den duur der vochtverversching in de voorste oogkamer bij het konijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i°. De oplossingen dezer zouten irriteeren allen, in de noodige concentratie in den conjunctivaalzak gebracht, de cornea en het oog kan dan geen aanspraak meer maken op den naam van een normaal oog, daar troebeling en zwelling der conjunctiva optreedt en verwijding der irisvaten.

2°. Zijn de verkleuringen, waarop bijv de gevoelige reacties op ferrocyaankalium en joodkalium berusten, in dikke laag wel herkenbaar, doch in de uiterst geringe hoeveelheden vocht, waarmee wij te doen hebben (inhoud voorste oogkamei 0.25 cM.3) niet voldoende herkenbaar, vooral bij zeer geringe concentraties.

De derde methode, waarbij ik alleen fluoresceine beproefd heb op haar bruikbaarheid, biedt eveneens bezwaren en wel : 1°. Evenals bij de methoden der chemische reacties, de moeilijkheid om in zoo geringe hoeveelheid vocht het fluoresceine gehalte te bepalen.

2°. De gevaren der verontreiniging zoowel van de proefvloeistof, als ook van de vloeistoffen der kleurenschaal met geringe hoeveelheden van de fluoresceineoplossing, waarmee men indruppelt. Eén vlekje aan den vinger, geeft zelfs na herhaald afwasschen nog groene fluorescentie aan een kleine quantiteit water.

Qualitatief aantoonen van Li. Daar dus geen dezer methoden mij zeer bruikbaar toescheen, beproefde ik een oplossing van Lithiumzout op zijn geschiktheid. De Lithiumzouten zijn uiterst gemakkelijk in minimale hoeveelheden nog aantoonbaar door middel van het spectroscoop. MONNIKENDAM !) gebruikte in zijn proeven over het lot der Joodalcaliën in het lichaam, joodlithium, daar het lithium in 5 X geringer hoeveelheid dan het jodium reeds aantoonbaar was en wel in een hoeveelheid van

V1000 mg- . , . , . , ,

Ik gebruikte oplossingen van chloorlithium en t bleek mij,

dat een druppel van een oplossing van r CILi in 1.600.000

gedestilleerd water, aan een platinaspiraaltje in de Bunsensche

1) monnikendam: Over de splitsing van Jood- en Broomverbindingen in het dierlijk lichaam, üiss. Amsterdam 1886. Geciteerd uit: 1 rof. B. J. Stokvis, Geneesmiddelleer III 1902, blz. 173).