is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdrage tot de kennis van den duur der vochtverversching in de voorste oogkamer bij het konijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bereikt wordt bij een gehalte van I : 1.600.000. Verder bleek, dat bij 20-malige verdunning met gedestilleerd water der 0.75 "/„ keukenzout-solutie de Li-lijn bij hetzelfde grensgehalte waargenomen werd als in gedestilleerd water.

Ik stelde daarom een empirische tabel samen, door achtereenvolgens de grenswaarde voor de Li-streep te bepalen in een oplossing van 0,75 % NaCl en in oplossingen, die op 1 volumen 0,75% NaCl-solutie respectievelijk I, 3, 7, II, 15 en 19 volumina gedestilleerd water bevatten. Ik vond het grensgehalte om Li nog te herkennen voor :

0.75 % NaCl bij 1 : 300.0C0

1 vol. 0.75% NaCl 1 vol. HjO „ 1 : 400 óoo 1 4- 3 .. .. 1 : 600.000

1 )> >) )> 1 J >> >> "

1 „ „ „ + 7 „ » » 1 900.000

1 „ „ „ + n „ „ „ 1 : 1.100.000 1 „ „ „ + 15 » » „ 1 : 1-300.000 1 ,, » » -f- 19 »> » » 1 • 1 ^0°000

Grafische voorstelling. Deze uitkomsten zijn door mij in eene grafische voorstelling gebracht (zie plaat II); op de ordinaat-as zijn de hoeveelheden chloorlithium aangegeven, aanwezig in oplossingen van 1 : 300.000, 1 : 400,000 enz. tot 1 : 1.600.000 van het oplosmiddel (mengsel van 1 vol. 0.75 % NaCl-solutie met een bepaald aantal volumina gedestilleerd water). Op de abscis-as is hef aantal vloeistof-volumina opgegeven van het medium waarin CILi was opgelost. Het grens-chloorlithiumgehalte voor het cijfer 8 bijv. wil dus zeggen het grensgehalte waarbij men nog de Li-streep waarneemt in een solutie, die op één volumen keukenzoutoplossing van 0,75 %, 7 völnmina water bevat, een 8 X verdunde 0,75 % keukenzout-solutie, zooals ik deze in 't vervolg voor het gemak zal noemen.

Uit deze grafische voorstelling wordt duidelijk, hoe het kwam, dat ik in de 20 X verdunde 0,75 n/u NaCl-solutie de Li-streep bij hetzelfde grensgehalte zag als in gedestilleerd water ; want de curve, ontstaande door de verschillende gevonden punten te verbinden, vertoont de neiging op zijn eindgedeelte evenwijdig met de abscis-as te blijven. Verder mogen we, de regelmatig-